ECLI:NL:RBDHA:2026:14780
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
Eiser werd op 28 april 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De maatregel werd op 11 mei 2026 opgeheven.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. Verweerder bood een schadevergoeding aan voor de periode van 8 tot en met 11 mei 2026 wegens te late opheffing van de maatregel. Eiser reageerde niet op dit aanbod.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring vanaf 8 mei 2026 onrechtmatig was en kende de aangeboden schadevergoeding van €480 toe voor vier dagen onrechtmatige detentie. Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Staat tot betaling van proceskosten van €934 aan eiser. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak werd gedaan door rechter E.M.A. Vinken.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en eiser ontvangt een schadevergoeding van €480 en proceskostenvergoeding van €934 wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring.