ECLI:NL:RBDHA:2026:14780

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28150
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 106 VwArt. 5.1a Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding

Eiser werd op 28 april 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De maatregel werd op 11 mei 2026 opgeheven.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. Verweerder bood een schadevergoeding aan voor de periode van 8 tot en met 11 mei 2026 wegens te late opheffing van de maatregel. Eiser reageerde niet op dit aanbod.

De rechtbank stelde vast dat de bewaring vanaf 8 mei 2026 onrechtmatig was en kende de aangeboden schadevergoeding van €480 toe voor vier dagen onrechtmatige detentie. Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Staat tot betaling van proceskosten van €934 aan eiser. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak werd gedaan door rechter E.M.A. Vinken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en eiser ontvangt een schadevergoeding van €480 en proceskostenvergoeding van €934 wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28150

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Op 11 mei 2026 heeft verweerder de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
1.3.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 25 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 27 mei 2026 op gereageerd en schadevergoeding aangeboden. De rechtbank heeft op 29 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
5. Eiser voert, kort samengevat, aan dat verweerder maatregel van bewaring te laat heeft opgeheven. Verweerder had immers toegezegd dat de maatregel op 8 mei 2026 zou worden opgeheven. Verweerder heeft daarop gereageerd door een schadevergoeding aan te bieden voor 4 dagen onrechtmatige detentie, van 8 mei 2026 tot en met 11 mei 2026. Ook heeft verweerder 1 punt proceskostenvergoeding aangeboden.
6. De rechtbank heeft eiser verzocht om op het aanbod van verweerder te reageren. Hier is geen reactie op gekomen. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser van 8 mei 2026 tot en met 11 mei 2026 onrechtmatig in detentie heeft gezeten. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [1] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring eerder onrechtmatig was.
7. Het beroep is gegrond en de maatregel was met ingang van 8 mei 2026 onrechtmatig. De rechtbank zal de reeds aangeboden schadevergoeding toekennen voor 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.