Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14786

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL25.6940
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:55c AwbRichtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij afwijzing faciliterend visum

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 19 februari 2024 een aanvraag in voor een faciliterend visum om zich in Nederland te voegen bij zijn broer, de referent met Spaanse nationaliteit. Verweerder wees de aanvraag op 12 april 2024 af wegens onvoldoende bewijs van familierelatie en noodzakelijke financiële ondersteuning.

Na bezwaar verklaarde verweerder het bezwaar ongegrond op 16 januari 2025, met een gewijzigde afwijzingsgrond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij ten laste kwam van de referent. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde dat verweerder de hoorplicht had geschonden omdat een nieuwe afwijzingsgrond werd gehanteerd zonder eiser de mogelijkheid te geven zich hierover uit te laten in bezwaar.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen na een hoorzitting. Tevens werd een dwangsom van €1.442,- opgelegd wegens de overschrijding van de beslistermijn en werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.6940
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Ohrtmann).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een faciliterend visum. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1983 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiser heeft op 19 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van de Richtlijn. [1] Eiser wil zich met dat visum in Nederland voegen bij referent: [referent]. Referent is geboren op [geboortedag 2] 1986 en heeft de Spaanse nationaliteit.
2.2.
Met het primaire besluit van 12 april 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken heeft aangetoond dat hij kan worden aangemerkt als familielid van referent.
2.3.
Met het bestreden besluit van 16 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser nu wel heeft aangetoond dat hij de broer is van referent. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat eiser niet ten laste komt van referent. Volgens verweerder is niet gebleken dat referent tenminste één jaar ononderbroken regelmatig geld aan eiser heeft betaald. Eiser heeft niet aangetoond dat de ontvangen bedragen daadwerkelijk afkomstig zijn van referent. Indien ervan moet worden uitgegaan dat de overmakingen wel afkomstig zijn van referent, stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat de ondersteuning door referent noodzakelijk is. Eiser woont in het huis van zijn vader en hoeft geen huur te betalen. Hij heeft ook nog twee andere broers.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, I. Huigens als tolk in de Engelse taal, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Kennelijk ongegrond bezwaar
3.1.
Eiser voert aan dat verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond had kunnen verklaren. In het bestreden besluit heeft verweerder namelijk een nieuwe afwijzingsgrond gehanteerd ten opzichte van het primaire besluit, door wel aan te nemen dat eiser de broer van referent is maar tegen te werpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat referent aan hem over een periode van meer dan een jaar elke maand een geldbedrag heeft overgemaakt. Op een hoorzitting had verweerder navraag kunnen doen over de overmakingen, in plaats van zich meteen op het standpunt te stellen dat niet gebleken is dat deze afkomstig zijn van referent. Dit geldt temeer nu in de beroepsprocedure is vast komen te staan dat die overmakingen wel degelijk zijn gedaan, maar verweerder zich na de in de beroepsprocedure verstrekte verduidelijkingen op het standpunt blijkt te stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze overmakingen voor eiser noodzakelijk waren om in zijn basisbehoeften te voorzien.
3.2.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [2] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [3] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan.
3.3.
De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond had kunnen verklaren. Zoals eiser ook heeft beschreven, heeft verweerder het bestreden besluit gebaseerd op een nieuwe afwijzingsgrond ten opzichte van het primaire besluit. In het primaire besluit heeft verweerder zich nog op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij kan worden aangemerkt als familielid van referent. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser wel heeft aangetoond dat hij kan worden aangemerkt als familielid van referent. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kon leiden tot een ander besluit. Uit vaste rechtspraak volgt ook dat het horen in de reden ligt als er in bezwaar een nieuwe afwijzingsgrond van toepassing is ten opzichte van het primaire besluit, zodat de vreemdeling zich voorafgaand aan de beslissing op bezwaar kan uitlaten over de gewijzigde afwijzingsgrond. [4] De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.
3.4.
De rechtbank ziet geen reden om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. In beroep is de zaak op grond van door eiser verstrekte verduidelijkingen over de door referent verstrekte betalingen namelijk wéér anders komen te liggen. De kern van het hiervoor geconstateerde gebrek is dat eiser in bezwaar al geen eerlijke kans heeft gekregen om zijn standpunten gericht tegen de nieuwe afwijzingsgrond in die fase te verduidelijken. De rechtbank vindt het daarom niet zuiver om in beroep dan het geschil finaal te beslechten op basis van wéér een andere afwijzingsgrond.
De rechtbank wijst de zaak daarom terug naar verweerder en draagt verweerder op een hoorzitting te houden, zodat eiser een reële mogelijkheid krijgt om zijn standpunten nader te onderbouwen over wat na deze beroepsprocedure de daadwerkelijke kern van de zaak blijkt te zijn, namelijk de vraag of bij de door referent aan eiser gedane overmakingen is voldaan is aan het noodzakelijkheidscriterium [5] .
Dwangsom
4.1.
Eiser voert aan dat verweerder hem een dwangsom is verschuldigd, gelet op de ingebrekestelling en het feit dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard.
4.2.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat niet op tijd is beslist op het bezwaarschrift en dat de ingebrekestelling terecht is geweest. De rechtbank heeft in 3.3 reeds overwogen dat verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren. Dat betekent dat artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb niet van toepassing is. Verweerder was daarom wel een dwangsom verschuldigd aan eiser.
4.3.
Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu op grond van artikel 8:55c van de Awb en stelt de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 1.442,-, omdat er meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke was.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van
€ 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1,0 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
5.3.
Omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard, heeft eiser recht op een dwangsom. Deze dwangsom is vastgesteld op € 1.442,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 16 januari 2025;
  • draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
  • stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.
2.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
4.Zie overweging 4.2 van de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022.
5.Zoals dat is uitgewerkt in paragraaf B10/2.2.4.4.1 en 2.2.4.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.