Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14787

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL25.41548
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 22 augustus 2025 waarbij de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verzoeker had tegen dit besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd verzocht om schorsing van de rechtsgevolgen van het besluit, met name het verbod om hem uit Nederland te verwijderen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting, op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op hetzelfde moment een uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep (zaaknummer NL25.41547), acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 1 juni 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onderliggende beroep reeds is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41548
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. Bij besluit van 22 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL25.41547). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst en verweerder verboden wordt eiser uit Nederland te verwijderen totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. In de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer NL25.41547 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Om die reden is een voorlopige voorziening niet meer nodig. Daarom wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 juni 2026 door mr. S.S. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.