ECLI:NL:RBDHA:2026:14795
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- V.J. de Haan
- F.M. Guljé
- H. Hillenaar
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor uitgeven en voorhanden hebben van vals geld
De rechtbank Den Haag behandelde op 2 juni 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het uitgeven en voorhanden hebben van vals geld op of omstreeks 13 en 14 april 2022. De tenlastelegging betrof het uitgeven van valse bankbiljetten van €200,- en het in voorraad hebben van vals geld met het oogmerk dit als echt uit te geven.
Tijdens de terechtzittingen op 24 december 2025 en 19 mei 2026 werd vastgesteld dat verdachte niet aanwezig was. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van de feiten, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te identificeren als de persoon die de medeverdachten naar het Van der Valk hotel vervoerde, mede omdat de herkenning op camerabeelden niet overtuigend was en de ontkennende verklaring van verdachte niet is weerlegd.
Ook het feit dat vals geld en een Rolex horloge in de woning van verdachte werden aangetroffen, was onvoldoende om betrokkenheid bij het uitgeven van vals geld vast te stellen, aangezien ook medeverdachten in die woning verbleven. Ten aanzien van het voorhanden hebben van vals geld stelde de rechtbank vast dat verdachte wel wist van het geld, maar niet dat hij dit met het oogmerk had om het als echt uit te geven.
Daarnaast werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke termijn van drie maanden na afloop van de proeftijd. De rechtbank verklaarde verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en wees de vordering van de officier van justitie af.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor uitgeven en voorhanden hebben van vals geld.