Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14798

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
09/321217-21
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 6:6:25 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na drugshandel en voorbereidingsfeiten

De rechtbank Den Haag heeft op 2 juni 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en voorbereidingsfeiten. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €150.259,15 en de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op dit bedrag.

Het onderzoek betrof contante uitgaven, bankopnamen, aangetroffen drugs en betaalbonnen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 8 februari 2022. De rechtbank nam een beginsaldo contant geld van €5.000, legale contante ontvangsten van €6.431,50 en een eindsaldo van €5.284,40 in aanmerking. De contante uitgaven, inclusief bankstortingen en moneytransfers, bedroegen €156.406,25, waaruit het wederrechtelijk verkregen voordeel werd afgeleid.

De rechtbank verwierp verzoeken van de verdediging om getuigen te horen en om bepaalde contante uitgaven te schrappen, zoals de aanschaf van een Rolex horloge en een speedboot. De rechtbank achtte aannemelijk dat de veroordeelde betrokken was bij (internationale) handel in softdrugs en dat een deel van de aangetroffen drugs aan hem toebehoorde. De betalingsverplichting werd niet gematigd en de duur van de gijzeling werd vastgesteld op maximaal 1080 dagen.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €150.259,15 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/321217-21 (ontneming)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 13 januari 2026 (regie) en 19 mei 2026 (inhoudelijk).
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie, mr. B.R. Koenders, op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman, mr. S.L.J. Janssen, op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie van 10 december 2025 strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 187.042,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

3.De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is op 10 april 2025 door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens de volgende strafbare feiten:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd;
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te mede te plegen en daarbij behulpzaam te zijn en zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd en;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Voor deze misdrijven kan naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Aannemelijk is dat de veroordeelde op de een of andere manier wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit die misdrijven of uit andere strafbare feiten. Welke andere strafbare feiten dat zijn en door wie deze zijn gepleegd kan niet worden geconcretiseerd. De rechtbank laat in het midden of de pleger daarvan mogelijk iemand anders is geweest dan de veroordeelde. Welk voordeel de veroordeelde door deze strafbare feiten heeft verkregen, komt hierna bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de orde.
De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

4.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 28 december 2023. De conclusie van dit ontnemingsrapport luidt dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel in totaal € 358.255,92 bedraagt.
Bij vordering d.d. 10 december 2025 is dit bedrag aangepast naar € 187.042,00 door kort gezegd de post ‘drugs’ voor 1/3 deel mee te nemen in de berekening de post met betrekking tot de overdrachtsbelasting te laten vervallen.
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting d.d. 19 mei 2026 op het standpunt gesteld dat de contante uitgave van het Rolex horloge van € 7.000,00, gelet op de getuigenverhoren van de vader en de zus van de veroordeelde, uit de kasopstelling dient te worden verwijderd en dat voor wat betreft de contante uitgaven (betaalbonnen; foto 3 en foto 4) in plaats van het in de kasopstelling gehanteerde bedrag van € 4.943,80 een bedrag van € 3.200,00 dient te worden opgenomen in de kasopstelling en dat het bedrag van € 359,95 (foto 24; jas) dient te worden verwijderd uit de kasopstelling.
Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom volgens de officier van justitie worden geschat op een bedrag van € 177.938,00.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 19 mei 2026 op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
4.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen. De redengevende inhoud hiervan wordt hierna onder 4.4 vermeld.
1. De gebruikte bewijsvoering, bewijsmiddelen en overwegingen in het vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde van 10 april 2025. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over. De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak.
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 28 december 2023 is opgemaakt (hierna ook: het ontnemingsrapport).
3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , op 3 april 2026 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , op 3 april 2026 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.
4.4.
Oordeel van de rechtbank
Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde is onderzoek gedaan naar de contante uitgaven van de veroordeelde in de periode van 1 januari 2016 tot en met 8 februari 2022. De rechtbank zal ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de hand van het ontnemingsrapport met bijlagen, het beginsaldo aan contant geld, de legale contante ontvangsten, het eindsaldo aan contant geld en de contante uitgaven vaststellen.
Indien het bedrag aan contante uitgaven de beschikbare legale (contante) gelden overstijgt, bestaat daarin in beginsel grond om deze inkomsten als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken.
Beginsaldo contant geld
Blijkens het ontnemingsrapport is niet gebleken dat de veroordeelde op 1 januari 2016 kon beschikken over een contant geldbedrag. De veroordeelde heeft verklaard dat hij
met zijn bijbaan bij koffiehuis [bedrijfsnaam 1] tijdens zijn studententijd ongeveer € 20.000,00 aan contant geld heeft gespaard. De vader van de veroordeelde heeft op 3 april 2026 als getuige bevestigd dat de veroordeelde bij hem heeft gewerkt en contant werd betaald. [1] Hoewel de rechtbank hiermee onvoldoende onderbouwd acht dat de veroordeelde hierdoor op 1 januari 2016 kon beschikken over een contant geldbedrag van € 20.000,00, acht de rechtbank wel aannemelijk dat de veroordeelde met zijn werkzaamheden enig bedrag aan contant geld heeft gespaard. De rechtbank zal uitgaan van een beginsaldo van een bedrag van € 5.000,00.
Legale contante ontvangsten
Uit het ontnemingsrapport volgt dat gedurende de onderzoeksperiode van de bankrekening van de veroordeelde voor een totaalbedrag van € 6.431,50 aan contante opnamen werd gedaan. Uit onderzoek en uit de verhoren met de veroordeelde bleek dat hij geen andere legale inkomsten had dan de (girale) inkomsten, die ook bleken uit de iCOV-rapportage en uit de bankrekening van de veroordeelde. [2] Dit bedrag wordt door de veroordeelde en diens raadsman niet betwist. De rechtbank zal op grond van het voorgaande uitgaan van een bedrag aan € 6.431,50 aan legale contante ontvangsten, inclusief bankopnamen.
Eindsaldo contant geld
Uit het ontnemingsrapport volgt verder dat bij de aanhouding van de veroordeelde en bij de doorzoekingen in de woningen aan de [adres 2] te [plaats 1] en aan [adres 3] te [plaats 2] een totaalbedrag van € 5.284,40 aan contanten is aangetroffen. [3] Ook dit bedrag wordt door de veroordeelde en diens raadsman niet betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van een eindsaldo aan contant geld van € 5.284,40.
Contante uitgaven
In het ontnemingsrapport zijn de contante uitgaven door de veroordeelde gedaan in de onderzoeksperiode uiteengezet. De herkomst van deze contante middelen was blijkens dit rapport onbekend. De contante uitgaven betreffen de categorieën bankstortingen, moneytransfers, aangetroffen drugs, contante betalingen blijkens aangetroffen betaalbonnen en contante betalingen blijkens analyse van de inhoud van de iPhone13 van de veroordeelde.
Bankstortingen
Uit onderzoek is gebleken dat in de onderzoeksperiode voor een totaalbedrag van € 2.490,00 contant is gestort op een bankrekening op de naam van de veroordeelde. Deze stortingen zijn niet betwist door de veroordeelde en diens raadsman. De rechtbank betrekt deze stortingen bij de kasopstelling. [4]
Moneytransfers
Uit onderzoek is gebleken dat de veroordeelde gedurende de onderzoeksperiode een bedrag van € 150,00 heeft verzonden door middel van een money transfer. [5] Het bedrag kwam niet terug op de bankrekening van de veroordeelde, waardoor het aannemelijk is dat deze uitgave
contant werd gedaan. Ook dit bedrag is niet betwist door de veroordeelde en zijn raadsman. De rechtbank betrekt deze money transfer dan ook bij de kasopstelling.
Aangetroffen drugs
Uit het ontnemingsrapport blijkt dat tijdens de aanhouding van de veroordeelde en bij de doorzoeking in de woning aan [adres 3] te [plaats 2] een grote hoeveelheid aan hennep en hasj is aangetroffen. Na weging bleek dat het in totaal 25,6 kilo hennep en 38,2 kilo hasj betrof.
Aan de hand van het document Prijzen Drugs & (Pre-)Precursoren' van het Cluster Synthetische Drugs, DLR, Afdeling Specialistische Ondersteuning is een berekening gemaakt van de totale inkoopprijs van de aangetroffen hennep en hasj. Volgens het document met het prijzenoverzicht van het jaar 2021 is de gemiddelde prijs van hennep (toppen) € 4.165,00 per kilo en is de gemiddelde prijs van hasj € 3.225,00. Op basis van het bovenstaande is de totale inkoopprijs als volgt berekend:
- Hennep: 25,6 kilo maal € 4.165 is € 106.624,00.
- Hasj: 38,2 kilo maal € 3.225 is € 123.195,00.
De totale inkoopprijs is berekend op € 229.819,00 voor de aangetroffen hennep en hasj. [6]
De raadsman heeft bepleit dat deze twee partijen softdrugs de bedrijfsvoorraad van coffeeshop [bedrijfsnaam 2] betroffen en heeft verzocht om – in het geval de rechtbank ervan uitgaat dat de aangetroffen softdrugs (gedeeltelijk) wel aan de veroordeelde toebehoorde – [naam 1] , de eigenaar van coffeeshop [bedrijfsnaam 2] , hierover als getuige te horen.
Zoals reeds overwogen door de rechtbank in het vonnis in de strafzaak, is aannemelijk dat de veroordeelde een deel van de bij hem aangetroffen softdrugs onder zich had in verband met de bevoorrading van coffeeshop [bedrijfsnaam 2] , maar zijn er tevens aanknopingspunten dat de veroordeelde betrokken was bij (internationale) handel in softdrugs die geen verband hield met coffeeshop [bedrijfsnaam 2] en dat de veroordeelde daar, zoals hij zelf heeft verklaard, een ‘graantje uit meepikte’. De rechtbank ziet gelet op het vorengaande geen reden om, zoals verzocht door de raadsman, [naam 1] op dit punt als getuige te horen. De rechtbank wijst dit (voorwaardelijke) verzoek van de raadsman dan ook af.
Over de concrete hoeveelheid softdrugs die de veroordeelde zelf zou hebben gefinancierd, heeft de veroordeelde niet verklaard.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gestel dat uit de door de veroordeelde gevoerde chatgesprekken [7] blijkt dat aannemelijk is dat 1/3 deel van de aangetroffen drugs aan de veroordeelde zelf toebehoorde. Hiermee is de officier van justitie in aanzienlijke mate tegemoetgekomen aan het standpunt van de veroordeelde. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit standpunt af te wijken en zal uitgaan van een bedrag van
€ 76.606,00.
Contante betalingen blijkens aangetroffen betaalbonnen
Uit het ontnemingsrapport volgt dat tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] onder andere een grote hoeveelheid aan contante betaalbonnen, luxegoederen en dure merkkleding zijn aangetroffen. Aan de hand van de aangetroffen contante betaalbonnen is een berekening gemaakt voor welk bedrag er minimaal aan contante uitgaven waren gedaan gedurende de onderzoeksperiode. De bedragen op deze bonnen zijn bij elkaar opgeteld, hetgeen resulteert in een totaalbedrag van € 25.334,02. [8]
De raadsman heeft voorgesteld om ervan uit te gaan dat minimaal 1/3 van de uitgaven niet door de veroordeelde zelf gefinancierd is, omdat hij heeft verklaard dat hij zich deze uitgaven niet meer kan herinneren en het mogelijk cadeaus betroffen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Dat sprake was van cadeaus blijkt niet uit de stukken en acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Kijkend naar de goederen die blijkens de betaalbonnen zijn aangeschaft, acht de rechtbank niet aannemelijk dat dit cadeaus waren die de veroordeelde
– inclusief de bon – van anderen zou hebben ontvangen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in plaats van het in de kasopstelling gehanteerde bedrag van € 4.943,80, een bedrag van € 3.200,00 dient te worden opgenomen en dat het bedrag van € 359,95 (foto 24; jas) dient te worden verwijderd uit de kasopstelling.
Het totaal, blijkens de aangetroffen betaalbonnen, aan gedane contante uitgaven, komt hiermee op een bedrag van € 23.230,25 (€ 25.334,00 - € 1.743,80 - € 359,95)
Contante betalingen blijkens analyse van de inhoud van de iPhone13
Uit het ontnemingsrapport volgt dat uit de analyse naar de inhoud van de iPhone 13, de telefoon die de veroordeelde bij zich droeg ten tijde van zijn aanhouding, is gebleken dat de veroordeelde ook contante uitgaven heeft verricht voor de aankoop van een boot, de woning aan [adres 1] te [plaats 2] en voor een horloge van het merk Rolex gedurende de onderzoeksperiode.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de contante uitgave van
€ 7.000,00 ten behoeve van de aanschaf van een Rolex horloge, gelet op de verklaringen van de vader [9] en de zus [10] van de veroordeelde hieromtrent, uit de kasopstelling dient te worden verwijderd.
Blijkens informatie uit de telefoon van de veroordeelde is aannemelijk dat hij in 2019 in het bezit is gekomen van een Jeanneau speedboot met een Yamaha motor à € 45.300,00. [11] Een factuur met specificaties met daarop de naam van de veroordeelde, een chatconversatie over een dergelijke speedboot in diezelfde periode, foto’s van de betreffende boot op de telefoon van de veroordeelde en het veranderen van zijn nicknames naar die betreffende bootnaam maken dit aannemelijk. De veroordeelde heeft verklaard dat hij niet in bezit is van een speedboot en heeft ter onderbouwing een e-mail van [website] overgelegd met als bijlage een andere factuur met hetzelfde factuurnummer op naam van Firma [bedrijfsnaam 3] . Volgens de veroordeelde was de factuur op zijn telefoon niet echt en bedoeld voor de verzekering van de speedboot van zijn neef in [land] . De door de veroordeelde overgelegde soortgelijke factuur met daarop een bedrag van € 58.500,00, neemt, mede gelet op de overige aanwijzingen in het dossier, naar het oordeel van de rechtbank de aannemelijkheid dat de veroordeelde in het bezit was van de speedboot niet weg. Het factuurnummer en de omschrijving van de speedboot komt op de twee facturen namelijk (grotendeels) overeen, waaruit de rechtbank afleidt dat het om dezelfde Jeanneau speedboot gaat. Volgens de veroordeelde is deze speedboot in bezit van zijn neef met dezelfde naam, maar een nadere onderbouwing heeft hij hier niet van gegeven. Een onderbouwing ontbreekt ook ten aanzien van de ‘nepfactuur’ op zijn telefoon, die bedoeld was voor de verzekering van zijn neef en het verloop van de aankoop door zijn neef van de speedboot via het bedrijf dat als koper vermeld staat op de andere factuur. De verklaring van de veroordeelde, inhoudende dat hij nooit een boot heeft gekocht en dat de factuur bestemd was voor zijn neef met dezelfde naam, die deze nodig had in verband met de verzekering, acht de rechtbank dan ook onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank ziet gelet op het vorengaande geen reden om, zoals verzocht door de raadsman, [naam 2] als getuige te horen. De rechtbank wijst dit (voorwaardelijke) verzoek van de raadsman dan ook af.
Omdat in de chatgesprekken met betrekking tot voornoemde boot wordt gesproken over ‘onze boot’, zal de rechtbank voor wat betreft de aanschaf van de boot uitgaan van de helft van € 45.300,00, zijnde een bedrag van € 22.650,00.
Blijkens informatie uit de telefoon van de veroordeelde is ten slotte aannemelijk dat de veroordeelde sinds 1 oktober 2021 eigenaar is van de woning aan de [adres 1] te [plaats 2] . Op de telefoon van de veroordeelde zijn gesprekken in WhatsApp aangetroffen, waaruit blijkt dat hij bij de aankoop van de woning, naast de koopsom van € 200.000,00, nog een bedrag van € 26.280,00 in contanten aan de vorige eigenaar van de woning heeft betaald. Ook blijkt uit de WhatsApp-gesprekken dat ‘ [naam 1] ’ deze woning voor de veroordeelde had geregeld en hier € 5.000,00 in contanten voor had ontvangen van de veroordeelde. Hiermee komt de rechtbank op een bedrag van € 31.280,00 dat de veroordeelde contant heeft uitgegeven in verband met de aankoop van voornoemde woning.
De stelling van de veroordeelde, inhoudende dat behalve de € 5.000,00 die hij aan ‘ [naam 1] ’ heeft betaald van verdere contante betalingen geen sprake is geweest, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en daarmee niet aannemelijk.
De conclusie
De rechtbank gaat op grond van het voorgaande uit van de volgende berekening:
Beginsaldo contant geld € 5.000,00
Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen +/+ € 6.431,50
Eindsaldo contant geld -/- € 5.284,40
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 6.147,10
-/- Feitelijke uitgaven inclusief bankstortingen € 156.406,25
Verschil (= wederrechtelijk verkregen voordeel) € 150.259,15
4.5.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 150.259,15.

5.De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank ziet geen aanleiding om de betalingsverplichting te matigen.
De rechtbank stelt de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 150.259,15.

6.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 150.259,15;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
€ 150.259,15aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.M. Guljé, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. H. Hillenaar, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.

Voetnoten

1.Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , getuige, op 3 april 2026 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.
2.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 december 2023, pagina 8.
3.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 december 2023, pagina 9.
4.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 december 2023, pagina 9.
5.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 december 2023, pagina 9.
6.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 december 2023, pagina 9.
7.Het proces-verbaal van bevindingen ‘analyse chats m.b.t rol verdachte Oulad Chaib’, opgemaakt op 5 oktober 2022 (bijlage bij het ontnemingsrapport).
8.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 december 2023, pagina 10.
9.Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , getuige, op 3 april 2026 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.
10.Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , getuige, op 3 april 2026 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.
11.Het proces-verbaal van bevindingen ‘aanvullende bevindingen analyse iPhone 13, opgemaakt op 23 oktober 2023 (bijlage bij het ontnemingsrapport).