Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14800

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27807
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 67 WetArt. 66a Wet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en weigering schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke zaak

De minister van Asiel en Migratie legde op 15 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Somalische vreemdeling, wegens risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van uitzetting. Eiser stelde dat er geen risico op onttrekking was en dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzettingsprocedure, mede vanwege het ontbreken van een identiteitsbewijs en het ontbreken van contact met Somalische autoriteiten sinds 2019.

De rechtbank stelde vast dat eiser de feiten niet betwistte, maar zijn gedrag (weigering medewerking, geen vaste verblijfplaats, geen middelen van bestaan) geen vertrouwen gaf dat hij zich aan minder ingrijpende maatregelen zou houden. De minister toonde aan dat er recent zicht is op uitzetting naar Somalië, met meerdere afgegeven laissez passers en een afgesproken werkwijze met de Koninklijke Marechaussee en Jubba Airways.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht niet voor een lichter middel koos en voldoende voortvarend handelt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27807

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft afstand gedaan van het recht te worden gehoord en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de gronden niet heeft betwist. In die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, moet steeds, aan de hand van wat door partijen over het gedrag van de betrokkene en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokkene daadwerkelijk kunnen dragen of dat de minister met een minder verstrekkende maatregel had moeten volstaan.
4. Eiser voert aan dat er in zijn geval geen risico op onttrekking is. Hij heeft in 2019 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen en heeft Nederland sindsdien niet verlaten. Hij is in die tijd regelmatig in aanraking gekomen met justitie, maar toch is hij elke keer weer vrijgelaten zonder dat hem een toezichtmaatregel zoals een meldplicht is opgelegd. Het is dan ook onduidelijk waarom hij nu ineens in bewaring moet worden gesteld. Niet valt in te zien waarom een lichter middel is overgeslagen en direct is gegrepen naar het zwaarste middel. Daarbij speelt ook mee dat het mogelijk erg lang gaat duren voordat er een laissez passer (lp) zal worden verstrekt. Er is eiser weliswaar eerder een verblijfsvergunning verleend, maar hij heeft nooit een identiteitsbewijs gehad. De minister had daarom eerst minder zware middelen moeten proberen.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Uit het dossier blijkt dat eiser op straat is aangetroffen waar hij blikjes verzamelde. Niet is gesteld of gebleken dat hij een vaste verblijfplaats heeft waar hij traceerbaar is voor de minister of dat hij beschikt over middelen van bestaan om in zijn onderhoud te voorzien en zijn terugkeer te realiseren. Verder weigert eiser mee te werken aan alle gesprekken over de vaststelling van zijn identiteit. Hij heeft geweigerd zijn vingerafdrukken af te geven, geweigerd te worden verhoord over zijn identiteit en geweigerd voorafgaand aan de inbewaringstelling te worden gehoord. Hij heeft de daarop betrekking hebbende papieren weggegooid. Ook voor het vertrekgesprek van 20 mei 2026 heeft hij schreeuwend laten weten dat hij niet in gesprek wil gaan en ter zitting van de rechtbank is hij niet verschenen. Ook bij de uitreiking van het terugkeerbesluit op 16 mei 2019 heeft eiser geweigerd te tekenen voor ontvangst, waarbij hij heeft verklaard: ‘
Ik onderteken niets. Ik accepteer dit niet. Ik ben statenloos en heb geen paspoort. De IND weet dat ook. Ik ben in Somalia geboren ten tijde van de oorlog. Die IND denkt alleen maar aan geld; alles is gewoon een kwestie van geld’. Eisers gedrag geeft dan ook geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat hij zich aan een meldplicht zal houden of zelf zal werken aan zijn terugkeer naar Somalië. Voor wat betreft de duur van het lp-traject verwijst de rechtbank naar wat daarover hierna wordt overwogen, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat het niet in verhouding staat tot het gedrag van eiser om hem gedurende dat traject in bewaring te stellen.
6. Eiser voert verder aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Niet is gebleken dat er tussen 2019 en 2026 aan de uitzetting van eiser is gewerkt. Er is al die tijd geen contact gezocht met de ambassade om te proberen documentatie voor eiser te verkrijgen. Pas nu hij in bewaring wordt gesteld, wordt er voor het eerst gewerkt aan terugkeer naar Somalië. De kans van slagen is echter erg klein. Eiser heeft nooit een identiteitsdocument gehad en is als minderjarige vertrokken uit Somalië. Onduidelijk is of de Somalische autoriteiten überhaupt wel willen meewerken aan gedwongen vertrek, of er uitzettingen plaatsvinden, hoe zich die eventuele uitzettingen verhouden tot het aantal lp-aanvragen en wat de doorlooptijden zijn. Daarom kan niet worden gezegd dat eiser binnen een redelijke termijn kan worden uitgezet. Dat er pas in juli een presentatie in persoon zal plaatsvinden en de lp-aanvraag daarna pas zal worden doorgezet naar de Somalische autoriteiten en dus pas in behandeling wordt genomen, is ook onvoldoende voortvarend.
7. De rechtbank volgt eiser daarin niet en overweegt daartoe als volgt. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser procedures heeft gevoerd en dat er een verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen waardoor eiser niet mocht worden uitgezet. Daarvóór was eiser weliswaar wel uitzetbaar, maar op dat moment werkten de Somalische autoriteiten niet mee aan gedwongen terugkeer. De minister heeft ook ter zitting toegelicht dat er sindsdien is gewerkt aan de betrekkingen met de Somalische autoriteiten, in partnerschap met Bureau Internationale Migratie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze inspanningen hebben ertoe geleid dat er in augustus 2025 één lp is afgegeven en in 2026 tot nu toe drie lp’s zijn afgegeven. Deze lp’s hebben allemaal tot uitzetting naar Somalië geleid. De minister heeft ter zitting toegelicht dat dit ging om uitzetting vanuit strafdetentie en dat het ging om niet meewerkende personen. Verder heeft de minister toegelicht dat er een praktisch probleem bestond bij de uitzetting naar Somalië, omdat de Koninklijke marechaussee (Kmar) die moet escorteren niet wil meereizen tot aan Mogadishu. Er is daarom een oplossing gerealiseerd dat de Kmar een escorte verzorgt tot aan Nairobi (Kenia) en dat de reis van Nairobi naar Mogadishu vervolgens wordt overgenomen door Jubba Airways. Als iemand wordt geweigerd in Mogadishu, dan staat Jubba Airways ervoor in dat de persoon terugkeert naar Nairobi en dan is er een ticket geregeld zodat de persoon kan terugkeren naar Nederland. Gelet op het beschreven proces en de vier recente succesvolle uitzettingen van niet meewerkende vreemdelingen naar Somalië, is de rechtbank van oordeel dat in zijn algemeenheid het zicht op uitzetting naar Somalië niet ontbreekt. Gelet op de weergegeven toelichting is ook verdedigbaar dat niet eerder is gewerkt aan de terugkeer van eiser, aangezien het om recente ontwikkelingen gaat.
7.1.
In eisers situatie heeft de minister toegelicht dat eiser in juli 2026 in persoon gepresenteerd zal worden. Deze presentatie kan niet eerder plaatsvinden, omdat er in juni 2026 verkiezingen plaatsvinden in Somalië en er daarom geen presentaties plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat een presentatie in persoon twee of drie maanden na de verzending van de lp-aanvraag, niet onredelijk laat is. De minister heeft toegelicht dat de uitkomst van die presentatie zal worden doorgestuurd naar de Somalische autoriteiten waarna eventueel een nationaliteitsbevestiging zal volgen. Daarna zal de Dienst Terugkeer en Vertrek verzoeken om afgifte van een lp bij de ambassade in Brussel, met een kopie naar de Somalische autoriteiten, en na goedkeuring van de Somalische autoriteiten in Mogadishu zal een lp worden ontvangen van de ambassade. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen ongebruikelijke werkwijze. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister hiermee voldoende voortvarend handelt en dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ook in eisers geval niet ontbreekt. De rechtbank overweegt dat de minister ook probeert vertrekgesprekken te voeren met eiser, om hem te bewegen met meer informatie te komen. Dat het proces om zijn identiteit vast te stellen mogelijk langer gaat duren omdat eiser weigert in gesprek te gaan, zijn vingerafdrukken af te geven of anderszins informatie te verstrekken, komt voor zijn risico.
8. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [1]
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, in de zaak C, B en X over ambtshalve toetsing, 4 september 2025ECLI:EU:C:2025:647, in de zaak Adrar, en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:148, in de zaak Aroja.