ECLI:NL:RBDHA:2026:14806

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
C/09/700254 / KG ZA 26-205
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 3:300 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot medewerking verkoop voormalig echtelijke woning na echtscheiding

Partijen zijn ex-echtgenoten die afspraken maakten over de voormalige echtelijke woning na hun echtscheiding in 2025. De man wenste de woning over te nemen tegen een door hem eenzijdig gegeven taxatiewaarde van €925.000, terwijl de vrouw een hogere waarde aanhield. Rabobank, de hypotheekhouder, had de hypotheek opgezegd en dreigde met executie.

De man vorderde in kort geding dat hij gerechtigd was de woning over te nemen tegen zijn taxatiewaarde en dat de vrouw medewerking moest verlenen aan de levering. De vrouw vorderde in reconventie dat de man meewerkt aan verkoop aan een derde, onder begeleiding van een makelaar, om een hogere opbrengst te realiseren dan bij executie.

De rechtbank oordeelde dat de man geen recht had op overname tegen een eenzijdige taxatie en dat de vrouw niet verplicht kon worden tot medewerking aan die overname. Wel werd de man veroordeeld om mee te werken aan verkoop aan een derde, met een makelaar, om executie te voorkomen. De kosten werden tussen partijen gecompenseerd.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een dwangsomregeling indien de man niet meewerkt aan de verkoop en levering. De rechtbank benadrukte het belang van onderhandse verkoop voor een hogere opbrengst dan openbare executie.

Uitkomst: Vordering man tot overname woning afgewezen; man veroordeeld tot medewerking aan verkoop aan derde onder makelaarsbegeleiding.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/700254 / KG ZA 26-205
Vonnis in kort geding van 24 april 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Jonkman,
tegen
[de vrouw]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.J.J. Trooster.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026, met producties en aanvullende producties;
- de eis in reconventie, met producties;
- de brief aan de rechtbank van mr. Jonkman, binnengekomen op 24 maart 2026;
- het bericht aan de rechtbank van mr. Trooster van 24 maart 2026;
- het bericht aan de rechtbank van mr. Jonkman van 31 maart 2026, met bijlage;
- het bericht van mr. Jonkman van 8 april 2026;
- de brief van mr. Trooster van 8 april 2026 en de rectificatie daarvan van 8 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw één productie (een e-mail van 12 maart 2026) overgelegd. De voorzieningenrechter heeft de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te bereiken en daartoe op zeer korte termijn een onafhankelijke taxatie uit te laten voeren door een van de door de vrouw aangedragen makelaars
1.3.
Bij bericht van 24 maart 2026 heeft de advocaat van de man de voorzieningenrechter verzocht om de man vervangende toestemming te geven om een bindende taxatie te laten uitvoeren door een door hem aangewezen makelaar. Bij bericht van diezelfde dag heeft de advocaat van de vrouw bezwaar gemaakt tegen het verzoek van de man. Op 30 maart 2026 heeft een korte digitale voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan heeft de griffier contact opgenomen met een door de advocaat van de man aangedragen taxateur die zich vervolgens bereid en in staat heeft verklaard om de taxatie onafhankelijk en onpartijdig op korte termijn uit te voeren.
1.4.
Bij bericht van 31 maart 2026 heeft de advocaat van de man de voorzieningenrechter bericht dat de aangezochte makelaar heeft laten weten dat hij de opdracht niet kan aanvaarden, omdat het betreffende type vastgoed in het Westland onvoldoende aansluit bij zijn dagelijkse praktijk.
1.5.
Bij bericht van 8 april 2026 heeft de advocaat van de man de voorzieningenrechter verzocht om vonnis te wijzen. Bij brief van diezelfde datum heeft de advocaat van de vrouw de voorzieningenrechter eveneens verzocht om vonnis te wijzen. Daarbij heeft de vrouw haar primaire eis gewijzigd en de subsidiaire vordering ingetrokken. Tot slot heeft de vrouw een verzoek gedaan om de man op de voet van artikel 21 Rv Pro [1] te bevelen de gehele vaststellingsovereenkomst over te leggen, waarvan hij delen als productie 3 in het geding heeft gebracht.
1.6.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn van [datum 1] 2000 tot [datum 2] 2016 met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2025 is de echtscheiding uitgesproken. Hierbij is bepaald dat het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van deze beschikking. In het echtscheidingsconvenant hebben partijen afspraken gemaakt over onder meer de voormalig echtelijke woning aan de [adres] (hierna: de woning) en de met de overwaarde te verrekenen schulden.
2.2.
Op de woning is een hypotheek gevestigd ten behoeve van Rabobank. Ten tijde van het huwelijk bedroeg de hypotheekschuld € 738.500,00.
2.3.
Na het uiteengaan van partijen is de man achtergebleven in de woning, in de bedrijfsruimte waarvan hij ook een onderneming drijft.
2.4.
Op 10 januari 2024 heeft Rabobank de bankrelatie met de man tegen 11 april 2024 opgezegd en hem meegedeeld dat de hypotheekschuld op 11 juli 2024 volledig afgelost moet zijn, bij gebreke waarvan Rabobank kan overgaan tot gedwongen verkoop van de woning.
2.5.
In februari 2025 heeft een bouwkundig adviesbureau in opdracht van de man met betrekking tot de woning een bouwkundig advies uitgevoerd. Volgens het uitgebrachte advies bedragen de kosten voor de benodigde herstelwerkzaamheden € 186.000,00.
2.6.
In maart 2025 is de woning in opdracht van de man getaxeerd. De taxateur heeft de marktwaarde van de woning getaxeerd op € 925.000,00.
2.7.
In mei 2025 hebben Rabobank en de man een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin zij onder meer zijn overeengekomen dat de man de volledige vordering van Rabobank uit hoofde van de opgezegde en opgeëiste financiering uiterlijk 1 april 2026 moet hebben voldaan, dan wel dat de man de woning op die datum onderhands moet hebben verkocht en geleverd aan een derde.
2.8.
Bij e-mail van 12 maart 2026 heeft de advocaat van Rabobank aan de advocaat van de vrouw meegedeeld dat hij de kans dat Rabobank de veiling zou willen annuleren om de vrouw de kans te geven de woning onderhands te verkopen minimaal acht. In deze e-mail heeft de advocaat van Rabobank herhaald dat de man tot 1 april 2026 de tijd heeft om zijn vorderingen integraal af te lossen, bij gebreke waarvan Rabobank overgaat tot veiling, die naar verwachting in juni 2026 zal plaatsvinden.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Na vermindering van eis vordert de man bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
te bepalen dat de man gerechtigd is de woning over te nemen voor een bedrag van € 925.000,00, waarbij hij een bedrag van € 52.353,67 aan de vrouw zal voldoen in de overwaarde van de woning en de vrouw zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening;
te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het transport van de woning en dat, indien de vrouw haar medewerking niet verleent dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming van (de voorzieningenrechter begrijpt:) de vrouw;
alles met veroordeling van de vrouw in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De man legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
De man wenst de woning over te nemen tegen de getaxeerde waarde en hij is daartoe ook in staat. Hij heeft daarbij een groot belang, omdat hij er zijn onderneming drijft en hij bij verkoop van de woning feitelijk zonder werk komt te zitten. Aangezien Rabobank voornemens is de woning op korte termijn te veilen, heeft de man een spoedeisend belang bij zijn vordering.
3.3.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
Na vermindering en wijziging van eis vordert de vrouw bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
I. de man te veroordelen mee te werken aan verkoop van de woning en daartoe op eerste verzoek van de vrouw de aanwijzingen van makelaar Rijnpoort Makelaars, of, in het geval deze niet bereid of in staat is de opdracht aan te nemen, een erkende makelaar die de opdracht wel wenst uit te voeren, op te volgen en deze makelaar toegang te geven tot de woning teneinde deze te doen bezichtigen en daarbij ten aanzien van de verkoop de voorstellen met betrekking tot bied- en laatprijs van de makelaar op te volgen;
II. In het geval de man in gebreke blijft zijn medewerking te verlenen, de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor de verkoop en levering van de woning, waarbij de vrouw de adviezen van Rijnpoort Makelaars of, in het geval deze niet bereid of in staat is de opdracht aan te nemen, een erkende makelaar die de opdracht wel wenst uit te voeren, ten aanzien van de vraag- en de laatprijs zal dienen op te volgen en daarbij te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van het voor het opmaken van de notariële leveringsakte vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man voor eigendomsoverdracht en levering van de woning;
III. tot bepaling dat de overwaarde zal worden berekend op basis van een hypotheekschuld van € 738.500,00 en dat met deze overwaarde uitsluitend een tweetal schulden voor in totaal € 81.792,66 die de man voor zijn rekening heeft genomen conform het echtscheidingsconvenant verrekend zal mogen worden;
met veroordeling de man in de kosten van het geding.
3.6.
De vrouw legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
De vrouw heeft er geen vertrouwen dat de man in staat is om de woning tegen een reële marktwaarde over te namen. Om de door Rabobank aangekondigde veiling te voorkomen en een hogere verkoopopbrengst te genereren, heeft de vrouw er belang bij dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de (onderhandse) verkoop en levering van de woning aan een derde.
3.7.
De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man in beginsel gerechtigd is om de (gemeenschappelijke) woning over te nemen tegen een voor partijen bindend getaxeerde waarde en met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarbij geldt wel als uitgangspunt dat de taxatie moet zijn uitgevoerd in opdracht van beide partijen. Aangezien de man zijn vordering heeft gebaseerd op een alleen door hem gegeven taxatieopdracht, kan hij niet van de vrouw verlangen dat zij medewerking verleent aan de toedeling van de woning aan hem tegen de eenzijdig door hem gegeven taxatieopdracht. Dit geldt temeer, nu de getaxeerde waarde van € 925.000,00 substantieel afwijkt van de WOZ-waarde die per 1 januari 2025 is vastgesteld op € 1.369.000,00 en de waarde van de woning door de vrouw becijferd wordt op € 1.500.000,00.
4.2.
Het feit dat Rabobank voornemens is de woning op korte termijn te veilen en dat partijen er niet in zijn geslaagd om een taxateur te vinden die voorafgaand aan de door Rabobank gegeven deadline tot een nieuwe taxatie kon komen, maakt niet dat de vrouw alsnog kan worden verplicht om medewerking te verlenen aan toedeling van de woning aan de man tegen de eenzijdig door hem voorgestelde waarde. Ook de persoonlijke omstandigheden van de man maken dit niet anders.
4.3.
Gelet op het voorgaande moeten de vorderingen van de man worden afgewezen.
in reconventie
4.4.
Aangezien Rabobank voornemens is op korte termijn over te gaan tot veiling van de woning en zij de veiling volgens de man inmiddels heeft aangezegd, is het in het belang van beide partijen dat zij alles in het werk stellen om tot onderhandse verkoop van de woning te komen om daarmee te proberen een hogere verkoopopbrengst te genereren dan met de openbare verkoop. De man heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de vorderingen van de vrouw. Omdat de man niet heeft toegezegd zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde, zijn de gewijzigde vorderingen van de vrouw onder I en II op de hierna te vermelden wijze toewijsbaar.
4.5.
Pas na verkoop en levering kan de verdeling van de netto-opbrengst van de woning worden vastgesteld. Nog daargelaten dat de vordering tot verdeling declaratoir van aard is, kan op de verdere verdeling niet vooruit worden gelopen, al was het maar omdat partijen geen inzicht hebben gegeven in eventuele andere vermogensbestanddelen die in de verdeling moeten worden betrokken. De vordering onder III wordt daarom afgewezen.
Artikel 21 Rv Pro
4.6.
Aangezien er met dit vonnis een einde komt aan dit kort geding, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te beslissen op het verzoek van de vrouw om de man te bevelen de gehele vaststellingsovereenkomst in het geding te brengen. De voorzieningenrechter merkt wel op dat de man er beter aan had gedaan om vooraf toe te lichten dat en waarom hij slechts delen van de correspondentie met Rabobank in het geding heeft gebracht.
Proceskosten in conventie en reconventie
4.7.
In het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten zowel in conventie als in reconventie te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van de man af;
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
5.3.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n), waartoe hij in ieder geval:
a. binnen een week nadat dit vonnis is uitgesproken samen met de vrouw een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met makelaar Rijnpoort Makelaars, of, in het geval deze niet bereid of in staat is de opdracht aan te nemen, een erkende makelaar die de opdracht wel wenst uit te voeren, onder de voor een NVM-/VBO-/Vastgoed Pro-makelaar gebruikelijke voorwaarden;
b. de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de vrouw zal opvolgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs en de makelaar toegang moet geven tot de woning om deze te doen bezichtigen;
c. dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen drie dagen nadat zich (een) kandidaat-koper(s) heeft/hebben gemeld en de vrouw hem schriftelijk tot ondertekening heeft verzocht, indien en voor zover: de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs en -de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;
d. dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;
5.4.
bepaalt dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.3 onder a., c. en d., dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
WJ

Voetnoten

1.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.