ECLI:NL:RBDHA:2026:14822
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na gegrondverklaring beroep asielaanvraag
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 31 juli 2025 in de verlengde procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om het beroep in Nederland af te wachten.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met het beroep op 23 april 2026 in Zwolle, waarbij ook de gemachtigden en een tolk aanwezig waren. Op 2 juni 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep en dit gegrond verklaard.
Omdat het beroep gegrond is verklaard, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker, berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een vergoeding van € 934,- voor de ingediende proceshandeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.P.W. Esmeijer en griffier M.L. Tijssen, uitgesproken in het openbaar en zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep reeds gegrond is verklaard.