Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij gedwongen lid was van de cult Eiye en vanwege bedreigingen zijn land had verlaten. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de identiteit van eiser niet geloofwaardig werd geacht en zijn verhaal over de problemen met de cult onvoldoende aannemelijk was.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de minister terecht twijfelde aan de identiteit van eiser, mede omdat hij geen originele identiteitsdocumenten kon overleggen en onvoldoende inspanningen had verricht om deze te verkrijgen. Daarnaast vond de rechtbank dat de minister terecht de verklaringen over het lidmaatschap en de bedreigingen door de cult ongeloofwaardig achtte, vanwege inconsistenties, gebrek aan detail en onvoldoende onderbouwing.
Eiser had weliswaar foto’s en informatie van Vluchtelingenwerk overgelegd, maar deze waren onvoldoende om zijn verhaal te staven. Ook het argument dat de aanvraag niet snel genoeg was ingediend, faalde omdat de minister dit voldoende motiveerde en de aanvraag inhoudelijk beoordeelde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter Esmeijer op 2 juni 2026 in Zwolle.