Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14844

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27636
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van beëindigd verblijfsrecht Unieburger

Eiseres, van Estische nationaliteit en Unieburger, is door de minister van Asiel en Migratie een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister baseert dit op het risico dat eiseres zich aan toezicht onttrekt en de uitzettingsprocedure belemmert, met zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen en het niet naleven van de vertrekplicht.

Eiseres betwist de gronden en voert aan dat zij als Unieburger vrij Nederland mocht inreizen en dat zij aan de vertrekplicht heeft voldaan door tijdelijk naar Berlijn te reizen. De rechtbank oordeelt echter dat het verblijfsrecht van eiseres op 16 juni 2025 is beëindigd en dat zij dit verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, omdat zij na vijf dagen terugkeerde naar Nederland zonder melding te maken van haar illegale verblijf.

De rechtbank acht de gronden van de minister feitelijk juist en voldoende om de maatregel te dragen. Ook de lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan zijn niet bestreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27636

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Estische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres voert aan dat er onvoldoende gronden zijn om de maatregel te kunnen dragen. Over de grond onder 3a stelt eiseres dat zij als Unieburger Nederland mocht inreizen, dat zij inmiddels moet vertrekken doet daar niet aan af. Ze is nog in afwachting van haar paspoort, maar het Unieburgerschap staat niet ter discussie. Over de gronden onder 3b en 3c stelt eiseres dat ze naar Berlijn is vertrokken. Zij heeft daarmee gevolg gegeven aan de kennisgeving om Nederland te verlaten. Het is aan de minister om aan te tonen dat dit niet is gebeurd. Ze mocht weer terugkomen omdat ze Unieburger is. Over de grond onder 3i stelt eiseres dat ze weliswaar zou kunnen weggaan, maar dan ook weer mag terugkomen omdat er geen ongewenstverklaring is. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat haar vriend al naar Marokko is gereisd en dat zij daar naartoe zal gaan zodra zij haar paspoort heeft verkregen. Ze belt iedere dag met de ambassade om ervoor te zorgen dat ze haar paspoort krijgt.
4. Wat eiseres heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Over de gronden onder 3a, 3b en 3c overweegt de rechtbank dat het verblijfsrecht als Unieburger van eiseres is beëindigd op 16 juni 2025, welk besluit op 26 januari 2026 aan eiseres is uitgereikt. Dat betekent dat eiseres verplicht is Nederland te verlaten. Zij kan pas een nieuw verblijfsrecht verkrijgen in Nederland als ze eerst heeft voldaan aan het besluit van 16 juni 2025 en haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. [1] Eiseres heeft verklaard dat zij op 14 februari 2026 als toerist is vertrokken naar Berlijn en na vijf dagen weer is teruggekeerd naar Nederland. Die periode van vijf dagen is dusdanig kort dat alleen al daarom niet kan worden gezegd dat zij het verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Ze heeft daarmee dus geen gevolg gegeven aan het besluit van 16 juni 2025 en dit besluit is nog altijd van kracht. Er was dan ook geen sprake van een vrije termijn waarin eiseres Nederland weer in mocht reizen, zodat zij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Na haar inreis had eiseres bovendien direct melding moeten doen van haar illegale verblijf in Nederland; niet is betwist dat zij dit niet heeft gedaan. De drie genoemde zware gronden zijn dus feitelijk juist en daaruit kan ook een risico op onttrekking worden afgeleid. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres de lichte gronden niet heeft bestreden. De gronden kunnen de maatregel in dit geval ook daadwerkelijk dragen.
5. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [2]
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 22 juni 2021, F.S., ECLI:EU:C:2021:506.
2.Zie het arrest van het HvJ van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, in de zaak C, B en X over ambtshalve toetsing.