ECLI:NL:RBDHA:2026:14913

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
11202390
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.E. Povel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gevorderde betaling meerwerk en toewijzing vervangende schadevergoeding wegens niet-nakoming schikkingsovereenkomst

Partijen sloten een samenwerkingsovereenkomst voor levering en montage van PV-installaties. Eiser vorderde betaling van meerwerk, erkend door gedaagde, maar partijen hadden een schikkingsovereenkomst gesloten die financiële verplichtingen van gedaagde uitsloot.

Eiser stelde dat de schikkingsovereenkomst niet langer gold wegens niet-nakoming door gedaagde, maar de rechtbank oordeelde dat de schikkingsovereenkomst nog steeds van kracht was en dat eiser geen grond had voor betaling van het meerwerk. De vordering tot verwijzing naar schadestaat werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

In reconventie vorderde gedaagde vervangende schadevergoeding wegens niet-nakoming door eiser. Eiser beriep zich op opschorting en schuldeisersverzuim, maar de rechtbank verwierp deze verweren en stelde vast dat eiser in verzuim was. De gevorderde schadevergoeding werd toegewezen, inclusief wettelijke rente.

De proceskosten werden aan eiser opgelegd in zowel conventie als reconventie. De rechtbank verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en wees het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: Vordering meerwerk afgewezen, vervangende schadevergoeding van €8.862,46 toegewezen wegens niet-nakoming door eiser.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 11202390 \ RL EXPL 24-12768
Vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van
[partij A] B.V., tevens handelend onder de naam ‘ [handelsnaam] ’,
statutair gevestigd te [plaats 1] , tevens gevestigd te [plaats 2] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: ‘ [partij A] ’
gemachtigde: mr. M.A.C. Backx,
tegen
de coöperatie
[partij B],
gevestigd te [plaats 3] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: ‘ [partij B] ’,
gemachtigde: mr. R. Koot.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 juni 2024 met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging producties van [partij B] ,
- de akte eiswijziging tevens conclusie van antwoord in reconventie met producties van [partij A] .
Op 7 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak (hierna: zitting) plaatsgevonden. Aanwezig was de heer [naam] namens [partij B] , bijgestaan door mr. Koot. Van de zijde van [partij A] is alleen haar gemachtigde verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

2.De feiten

2.1.
[partij A] heeft PV-installaties geleverd, gemonteerd en in bedrijf gesteld voor [partij B] . De aanneemsom bedroeg € 218.453,40 inclusief btw.
2.2.
[partij A] heeft [partij B] facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 218.453,40. Dit betroffen de door [partij A] aan [partij B] geoffreerde werkzaamheden. In aanvulling op deze werkzaamheden heeft [partij A] meerwerk verricht voor een totaalbedrag van
€ 7.855,00. Dit meerwerk ziet op werkzaamheden die zijn verricht aan de [straatnaam 1] (€ 3.280,00) en in [plaats 3] (€ 4.575,00).
2.3.
Partijen hebben een samenwerkingsovereenkomst met elkaar gesloten op
8 december 2021.
2.4.
Op 4 juli 2025 heeft de gemachtigde van [partij B] de gemachtigde van [partij A] per e-mail het volgende bericht:
“[...] Cliënte heeft mij verzocht om voor [partij B] , [coöperatie 1] en [coöperatie 2] een laatste poging te wagen om deze projecten minnelijk af te wikkelen.
Voor de afwikkeling van de lopende procedures tegen [partij B] en [coöperatie 1] wordt verwezen naar de eerder getroffen deal, te weten:
[partij B]
 De kwestie wordt beslecht met gesloten beurzen waarbij [partij B] geen financiële verplichtingen meer heeft jegens [handelsnaam] .
 [handelsnaam] zal uiterlijk 31 juli 2025 nog de ontbrekende RVS-zetstukken leveren en monteren ter hoogte van de verdiepingsvloeren én de zonnestroom installatie aan de [straatnaam 1] op te leveren (inclusief Scope12 keuring en alle opleverdocumenten).
 Partijen verzoeken de procedure bij de Rechtbank door te halen.
[coöperatie 1]
 [coöperatie 1] betaalt nog een laatste bedrag van € 2.700, -- excl. btw waarover [handelsnaam] reeds een factuur heeft gestuurd en partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting.
 [handelsnaam] zal uiterlijk 31 juli 2025 nog het door haar achtergelaten afval op het dak en in lifthuis afboeren bij de [straatnaam 2] en de geveldoorvoer in de dakopbouw voorzien van RVS afdekkappen op alle 4 de locaties.
 Partijen verzoeken de procedure bij de Rechtbank door te halen.
[coöperatie 2]
 [handelsnaam] zal uiterlijk 31 juli 2025 nog de werkzaamheden kosteloos opleveren aan de projecten [straatnaam 3] en [straatnaam 4] ; dit conform bijgevoegde de sommering voortzetten werkzaamheden van mijn cliënte d.d. 16 mei 2024. In uw reactie van 7 april 2025 geeft u over deze werkzaamheden onder meer aan dat de installaties klaar zouden zijn, doch dat de oorzaak van het niet kunnen opleveren moet worden gezocht in het niet verzorgen van een goede aansluiting door de netbeheerder. Deze stellingname wordt verder niet onderbouwden uitdrukkelijk door mijn cliënte betwist. De juiste aansluitingen zijn wel degelijk gerealiseerd, doch is bij de Brandwacht de omvormer niet conform de geldende normen geplaatst, de verplichte brandvertragende achterwand ontbreekt en de aarding is niet op orde. Bij de [straatnaam 3] is de installatie verre van klaar en ontbreken de omvormers (zie ook bijlage).
 Indien deze werkzaamheden deugdelijk worden opgeleverd is cliënte bereid om de restantaanneemsom van € 15.921,34 betaalbaar te stellen; dit behoudens verrekening me teen aantal kleinere werkzaamheden die cliënte uit noodzaak en schadebeperking reeds door derden heeft moeten laten verrichten en trekt cliënte haar schadevordering voor dit project ter hoogte van € 68.068,21 in.
[...]
Onderhoud
Aanvullend is een gesprek geweest tussen het bestuur van de betrokken energiecoöperaties en de dienstverlener INNAX, waarbij INNAX heeft aangegeven bereid te zijn om te kijken naar het onderhoud en deze onder te brengen bij uw relatie. Voor deze bespreking is het van belang dat de bovenstaande zaken worden afgerond; dit nog los van de juridische verplichtingen om de projecten eerst op te leveren. De bespreking zal bestaan uit een eerste kennismaking en verkenning (uiterlijk binnen twee weken na de hopelijk positieve reactie van uw relatie) van de standpunten en een tweede gesprek om te onderzoeken of hier definitieve afspraken over gemaakt kunnen worden. [...]”
2.5.
Op 16 september 2025 heeft de gemachtigde van [partij A] de gemachtigde van [partij B] per e-mail het volgende bericht:
“[...] Hierbij de reactie van cliënte, waarbij duidelijkheidshalve de volgorde van uw email d.d. 4-7-2025 wordt aangehouden. Uw tekst in uw email d.d. 4-7-2025 (het voorstel van uw cliënten), wordt schuingedrukt weergegeven.
[partij B]

De kwestie wordt beslecht met gesloten beurzen waarbij [partij B] geen financiële verplichtingen meer heeft jegens [handelsnaam] .

[handelsnaam] zal uiterlijk 31 juli 2025 nog de ontbrekende RVS-zetstukken leveren en monteren ter hoogte van de verdiepingsvloeren én de zonnestroom installatie aan de [straatnaam 1] op te leveren (inclusief Scope12 keuring en alle opleverdocumenten).

Partijen verzoeken de procedure bij de Rechtbank door te halen.
Na akkoord kan cliënte de afdekkappen bestellen en zal na ontvangst daarvan de afdekkappen binnen twee weken kunnen plaatsen. De Scope 12 punten zal cliënte dan ook meenemen.
[coöperatie 1]

[coöperatie 1] betaalt nog een laatste bedrag van € 2.700, -- excl. btw waarover [handelsnaam] reeds een factuur heeft gestuurd en partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting.

[handelsnaam] zal uiterlijk 31 juli 2025 nog het door haar achtergelaten afval op het dak en in lifthuis afboeren bij de [straatnaam 2] en de geveldoorvoer in de dakopbouw voorzien van RVS afdekkappen op alle 4 de locaties.

Partijen verzoeken de procedure bij de Rechtbank door te halen.
Na akkoord kan cliënte de afdekkappen bestellen en zal na ontvangst daarvan de afdekkappen binnen twee weken kunnen plaatsen.
[coöperatie 2]

[handelsnaam] zal uiterlijk 31 juli 2025 nog de werkzaamheden kosteloos opleveren aan de projecten [straatnaam 3] en [straatnaam 4] ; dit conform bijgevoegde de sommering voortzetten werkzaamheden van mijn cliënte d.d. 16 mei 2024. In uw reactie van 7 april 2025 geeft u over deze werkzaamheden onder meer aan dat de installaties klaar zouden zijn, doch dat de oorzaak van het niet kunnen opleveren moet worden gezocht in het niet verzorgen van een goede aansluiting door de netbeheerder. Deze stellingname wordt verder niet onderbouwden uitdrukkelijk door mijn cliënte betwist. De juiste aansluitingen zijn wel degelijk gerealiseerd, doch is bij de Brandwacht de omvormer niet conform de geldende normen geplaatst, de verplichte brandvertragende achterwand ontbreekt en de aarding is niet op orde. Bij de Jan de Hartog is de installatie verre van klaar en ontbreken de omvormers (zie ook bijlage).

Indien deze werkzaamheden deugdelijk worden opgeleverd is cliënte bereid om de restantaanneemsom van € 15.921,34 betaalbaar te stellen; dit behoudens verrekening me teen aantal kleinere werkzaamheden die cliënte uit noodzaak en schadebeperking reeds door derden heeft moeten laten verrichten en trekt cliënte haar schadevordering voor dit project ter hoogte van € 68.068,21 in.
Na akkoord, zal cliënte er naar streven binnen 4 weken de werkzaamheden af te ronden. Dit onder het voorbehoud dat cliënte wel vooraf dient te vernemen welke kosten betrekking hebben op derden en welke werkzaamheden door derden zijn uitgevoerd.
[...]
Onderhoud
Aanvullend is een gesprek geweest tussen het bestuur van de betrokken energiecoöperaties en de dienstverlener INNAX, waarbij INNAX heeft aangegeven bereid te zijn om te kijken naar het onderhoud en deze onder te brengen bij uw relatie. Voor deze bespreking is het van belang dat de bovenstaande zaken worden afgerond; dit nog los van de juridische verplichtingen om de projecten eerst op te leveren. De bespreking zal bestaan uit een eerste kennismaking en verkenning (uiterlijk binnen twee weken na de hopelijk positieve reactie van uw relatie) van de standpunten en een tweede gesprek om te onderzoeken of hier definitieve afspraken over gemaakt kunnen worden.
Met betrekking tot het onderhoud merkt cliënte op dat de bespreking dan op korte termijn moet worden gepland. Ik verzoek u de data door te geven waarop die bespreking kan plaatsvinden. Nogmaals merkt cliënte op dat op 8-10-2024 ook het onderhoudscontract is besproken en het onderhoud al is overeengekomen. [...]”
2.6.
Op 23 september 2025 heeft de gemachtigde van [partij B] de gemachtigde van [partij A] per e-mail het volgende bericht:
“[...] Naar aanleiding van uw mail d.d. 16 september 2025, bericht ik u als volgt.
Wat betreft [partij B] en [coöperatie 1] stel ik vast dat partijen een deal hebben bereikt. Uw relatie wordt verzocht de benodigde materialen te bestellen en de hierbij horende werkzaamheden in te plannen. Wat cliënte betreft kunnen de lopende procedures bij de rechtbanken Den Haag en Rotterdam hiermee direct worden doorgehaald en ik verneem graag van u of uw relatie hier tevens mee instemt. [...]”
2.7.
In een e-mail van 9 januari 2026 van de gemachtigde van [partij B] aan de gemachtigde van [partij A] is [partij B] schriftelijk in gebreke gesteld. In deze e-mail is het volgende opgenomen:
“[...] In dit bericht wordt uw relatie dan ook verzocht, en voor zover vereist, dat zij wordt gesommeerd de overeenkomen (schikkings)werkzaamheden voor [partij B] (ontbrekende RVS-zetstukken leveren en monteren ter hoogte van de verdiepingsvloeren én de zonnestroom installatie aan de [straatnaam 1] op te leveren inclusief Scope12 keuring en alle opleverdocumenten) [...],
binnen twee weken na heden, daadwerkelijk te verrichten, bij gebreke waarvan uw relatie in verzuim verkeert en deze werkzaamheden aan derden zullen worden gegund. [...]”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert - na eisvermindering en zakelijk weergegeven - dat [partij B] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:
1. € 7.855,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;
2. € 919,99 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3. schadevergoeding, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente;
4. de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[partij A] legt daaraan - samengevat - ten grondslag dat zij voor een bedrag van
€ 7.855,00 aan meerwerk heeft verricht. [partij B] heeft (de hoogte van) dit bedrag erkend. Weliswaar zijn partijen vervolgens tot een schikkingsovereenkomst gekomen, maar [partij A] had hierin een voorbehoud opgenomen. De schikkingsovereenkomst geldt ook niet langer, omdat [partij B] haar verplichtingen niet is nagekomen. Ten slotte is [partij B] tekortgeschoten in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst van 8 december 2021, aldus [partij A] .
3.3.
[partij B] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de proces- en nakosten. Zij voert aan dat [partij B] onder de schikkingsovereenkomst geen financiële verplichtingen meer had jegens [partij A] . Het was uitsluitend [partij A] die nog werkzaamheden moest verrichten. De schikkingsovereenkomst geldt nog, aldus [partij B] .
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[partij B] vordert - zakelijk weergegeven - dat [partij A] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:
1. een bedrag van € 8.862,46 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke handelsrente per 4 februari 2026;
2. de proces- en nakosten.
3.6.
[partij B] legt daaraan - samengevat - ten grondslag dat [partij A] haar verplichtingen onder de schikkingsovereenkomst niet is nagekomen. Na het intreden van verzuim aan de zijde van [partij A] heeft [partij B] middels een omzettingsverklaring op 4 februari 2026 aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding. De te maken herstelkosten bij derden bedragen € 8.862,46, aldus [partij B] .
3.7.
[partij A] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van [partij B] in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. [partij A] voert aan dat [partij B] heeft nagelaten de door [partij A] verzochte informatie te verstrekken. [partij A] was hierdoor gerechtigd haar prestatie op te schorten. [partij A] beroept zich ook op schuldeisersverzuim. Ten slotte betwist [partij A] de hoogte en verschuldigdheid van de gevorderde herstelkosten van € 8.862,46.
3.8.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
De gevorderde hoofdsom wordt afgewezen
4.1.
De kantonrechter wijst de vordering van [partij A] af. Een grondslag voor deze vordering ontbreekt. Dit wordt als volgt toegelicht. In haar dagvaarding vorderde [partij A] het restant van de openstaande factuur (€ 6.644,08) en een bedrag van
€ 7.855,00 aan meerwerk. Vaststaat dat [partij B] het bedrag van € 6.644,08 op 28 augustus 2024 heeft voldaan. Ook staat vast dat partijen vervolgens een schikkingsovereenkomst hebben bereikt, onder meer ten aanzien van het verrichte meerwerk. Het sluiten van de schikkingsovereenkomst heeft tot gevolg gehad dat [partij B] géén financiële verplichtingen meer had jegens [partij A] . [partij A] betoogt dat de schikking met [partij B] een voorbehoud bevatte. Dit voorbehoud hield volgens [partij A] in dat [partij B] haar nog moest berichten
“welke kosten betrekking hebben op derden en welke werkzaamheden door derden zijn uitgevoerd”(zie ook randnummer 5 van de conclusie van antwoord in reconventie). De kantonrechter vat het betoog van [partij A] zo op, dat [partij A] [partij B] pas na het ontvangen van deze informatie finale kwijting zou verlenen. De kantonrechter verwerpt deze stelling van [partij A] . Met [partij B] is de kantonrechter van oordeel dat dit voorbehoud als zodanig niet volgt uit de e-mails die partijen in de periode vanaf 4 juli 2025 tot en met 23 september 2025 aan elkaar hebben gezonden. Weliswaar heeft de gemachtigde van [partij A] een voorbehoud opgenomen in haar e-mail van 16 september 2026, maar dit voorbehoud staat onder het kopje “ [coöperatie 2] ” (een ander project); niet onder het kopje “ [partij B] ”. Dat het voorbehoud ook zou zijn gemaakt ten aanzien van [partij B] , volgt dus niet uit de tekst van de e-mail van 16 september 2025. [partij A] heeft ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die een dergelijke uitleg van de schikkingsovereenkomst ondersteunen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat het voorbehoud niet gold ten aanzien van [partij B] .
4.2.
[partij A] betoogt ook dat de schikkingsovereenkomst is komen te vervallen. Dit betoog faalt. Met het bereiken van de schikkingsovereenkomst hebben partijen de tussen hen bestaande rechtsverhouding opnieuw vormgegeven. Een (eventuele) tekortkoming in de nakoming van de verbintenissen die voortvloeien uit deze overeenkomst, leidt niet automatisch tot het verval van deze verbintenissen. Voor zover [partij A] heeft bedoeld te betogen dat er aanleiding bestaat tot ontbinding van de schikkingsovereenkomst (artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW), overweegt de kantonrechter dat [partij A] de schikkingsovereenkomst niet buitengerechtelijk heeft ontbonden en dat zij ook geen ontbinding heeft gevorderd in de onderhavige procedure. De kantonrechter neemt de inhoud van de schikkingsovereenkomst daarom tot uitgangspunt voor de rechten en verplichtingen van partijen. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat een (buitengerechtelijke) ontbinding van de schikkingsovereenkomst vereist dat [partij B] tekortgeschoten is in een op haar rustende verbintenis die voortvloeit uit deze overeenkomst. De schikkingsovereenkomst omvat geen op [partij B] rustende verbintenissen. Om die reden kan dus ook geen sprake zijn van een tekortkoming aan de zijde van [partij B] .
4.3.
Concreet brengt het bovenstaande met zich dat de vordering van [partij A] tot betaling van een bedrag van € 7.855,00 (inclusief de wettelijke rente daarover) zal worden afgewezen.
De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt afgewezen
4.4.
[partij A] vordert verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ter onderbouwing van deze vordering stelt zij dat [partij B] tekortgeschoten is in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst van 8 december 2021. [partij A] verwijst hierbij naar het in artikel 6 van Pro deze overeenkomst opgenomen onderhoudscontract en het contractsbelang. De kantonrechter overweegt dat [partij A] deze door haar gestelde tekortkoming in zijn geheel niet heeft onderbouwd. Hierdoor is niet duidelijk waaruit de door [partij A] gestelde tekortkoming concreet bestaat. Ook is niet duidelijk of [partij A] hierdoor enige vorm van schade heeft geleden. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt daarom afgewezen.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
4.5.
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat de vorderingen van [partij A] wordt afgewezen, is er ook geen reden om de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen.
in reconventie
Het gevorderde bedrag van € 8.862,46 wordt toegewezen
4.6.
[partij B] vordert een bedrag van € 8.862,46 aan vervangende schadevergoeding. Dit betreffen de volgens haar te maken herstelkosten bij derden. [partij A] voert verweer tegen deze vordering en beroept zich daarbij op opschorting. [partij A] stelt dat [partij B] heeft nagelaten de [partij A] verzochte informatie te verstrekken. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Het opschortingsrecht is de bevoegdheid van een schuldenaar die een opeisbare vordering (tegenvordering) heeft op zijn schuldeiser, om de nakoming van zijn verbintenis uit te stellen totdat voldoening van zijn vordering plaatsvindt. Zoals hiervoor overwogen, is niet gebleken van een opeisbare vordering van [partij A] jegens [partij B] . Uit de schikkingsovereenkomst volgen namelijk geen op [partij B] rustende verbintenissen. Het beroep op opschorting slaagt daarom niet.
4.7.
[partij A] beroept zich ook op schuldeisersverzuim. Zij stelt in dit verband dat [partij B] de nakoming door [partij A] heeft verhinderd, althans bemoeilijkt door: i) geen contactpersoon door te geven tot wie [partij A] zich kon wenden; ii) geen informatie te verstrekken over welke werkzaamheden reeds door derden waren verricht; iii) geen toegang tot de locaties te faciliteren en geen sleutels beschikbaar te stellen; iv) de bespreking van 3 oktober 2025 te laten leiden door personen die volledig onkundig waren van de tussen partijen gemaakte afspraken en v) niet te reageren op de herhaalde verzoeken om opheldering van [partij A] . Het beroep op schuldeisersverzuim slaagt niet. Uit de schikkingsovereenkomst volgt de op [partij A] rustende verbintenis tot (onder meer) het bestellen van de RVS-zetstukken. Niet gesteld of gebleken is dat [partij A] deze bestelling daadwerkelijk heeft geplaatst. Onduidelijk is waarom [partij A] daartoe niet had kunnen overgaan. Zou al aangenomen worden dat [partij B] op 3 oktober 2025 enig obstakel heeft opgeworpen, dan heeft [partij B] dit obstakel in ieder geval weggenomen door [partij A] op 9 januari 2026 in gebreke te stellen en haar te verzoeken de werkzaamheden alsnog te verrichten. Een eventueel schuldeisersverzuim is op dat moment dus in ieder geval tot een einde gekomen.
4.8.
[partij A] betwist dat sprake is van verzuim omdat zij geen geldige ingebrekestelling heeft ontvangen van [partij B] . De in de ingebrekestelling genoemde termijn van twee weken was namelijk te kort, aldus [partij A] . De kantonrechter verwerpt dit verweer. Enerzijds omdat [partij A] in haar e-mail van 16 september 2025 zelf heeft aangegeven dat zij de RVS-zetstukken binnen twee weken na ontvangst zou kunnen plaatsen. Anderzijds (en voor zover deze termijn te kort zou zijn, gelet op de bestel- en levertijd) omdat [partij A] sinds 23 september 2025 de gelegenheid heeft gehad om de RVS-zetstukken te bestellen. Van een onredelijke termijn is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake. Daarbij komt dat [partij A] zich na ontvangst van de ingebrekestelling van 9 januari 2025 ook binnen een redelijke termijn had kunnen uitlaten over de termijn waarbinnen zij de werkzaamheden zou kunnen verrichten. [partij A] heeft [partij B] pas op 19 februari 2026 schriftelijk bericht naar aanleiding van de ingebrekestelling. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter te laat. De conclusie uit het voorgaande is daarom dat [partij A] in verzuim is komen te verkeren.
4.9.
Tot slot betwist [partij A] de verschuldigdheid en hoogte van het gevorderde bedrag van € 8.862,46. Zij voert aan dat [partij B] de begrote herstelkosten niet daadwerkelijk heeft gemaakt. Dit betoog faalt. Vervangende schadevergoeding stelt een schuldeiser in staat de gemiste prestatie alsnog bij een derde te verwerven. Daarvoor is niet vereist dat de betreffende werkzaamheden reeds door deze derde zijn verricht. [partij B] kon dus volstaan met een begroting van de kosten. Zij heeft de vereiste omzettingsverklaring uitgebracht. [partij A] betwist de hoogte van het bedrag van € 8.862,46, maar heeft deze betwisting verder niet onderbouwd. De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag van € 8.862,46 daarom toe.
De kantonrechter wijst de wettelijke rente toe
4.10.
[partij B] vordert de wettelijke handelsrente per 4 februari 2026. [partij A] betwist dat zij de wettelijke handelsrente verschuldigd is. Naast haar verweer tegen het gevorderde bedrag van € 8.862,46, voert [partij A] aan dat de schikkingsovereenkomst geen handelsovereenkomst is in de zin van artikel 6:119a BW. Dit betoog slaagt. Handelsovereenkomsten zijn overeenkomsten tot het leveren van goederen of diensten tegen betaling. Dat is de schikkingsovereenkomst niet. Tegenover de verplichtingen van [partij A] staat immers geen verplichting tot betaling van [partij B] . Voor de vordering van [partij B] tot betaling van het bedrag van € 8.862,46 geldt dus de wettelijke rente, niet de handelsrente. De wettelijke rente wordt toegewezen per
4 februari 2026.
Proceskosten
4.11.
[partij A] zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [partij B] worden begroot op een bedrag van € 864,00 in totaal, bestaande uit:
- € 720,00 voor salaris gemachtigde (2 punten x € 360,00);
- € 144,00 nakosten (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
4.12.
Ook in reconventie zal [partij A] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Gelet op de samenhang tussen het geschil in conventie en in reconventie worden de proceskosten van [partij B] begroot op één punt van het salaris gemachtigde ter hoogte van € 360,00.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de veroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
veroordeelt [partij A] tot betaling van een bedrag van € 8.862,46 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart de veroordelingen onder 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Povel en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.