Uitspraak
[partij B],
1.De procedure
2.De feiten
€ 7.855,00. Dit meerwerk ziet op werkzaamheden die zijn verricht aan de [straatnaam 1] (€ 3.280,00) en in [plaats 3] (€ 4.575,00).
8 december 2021.
De kwestie wordt beslecht met gesloten beurzen waarbij [partij B] geen financiële verplichtingen meer heeft jegens [handelsnaam] .
[handelsnaam] zal uiterlijk 31 juli 2025 nog de ontbrekende RVS-zetstukken leveren en monteren ter hoogte van de verdiepingsvloeren én de zonnestroom installatie aan de [straatnaam 1] op te leveren (inclusief Scope12 keuring en alle opleverdocumenten).
Partijen verzoeken de procedure bij de Rechtbank door te halen.
[coöperatie 1] betaalt nog een laatste bedrag van € 2.700, -- excl. btw waarover [handelsnaam] reeds een factuur heeft gestuurd en partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting.
[handelsnaam] zal uiterlijk 31 juli 2025 nog het door haar achtergelaten afval op het dak en in lifthuis afboeren bij de [straatnaam 2] en de geveldoorvoer in de dakopbouw voorzien van RVS afdekkappen op alle 4 de locaties.
Partijen verzoeken de procedure bij de Rechtbank door te halen.
[handelsnaam] zal uiterlijk 31 juli 2025 nog de werkzaamheden kosteloos opleveren aan de projecten [straatnaam 3] en [straatnaam 4] ; dit conform bijgevoegde de sommering voortzetten werkzaamheden van mijn cliënte d.d. 16 mei 2024. In uw reactie van 7 april 2025 geeft u over deze werkzaamheden onder meer aan dat de installaties klaar zouden zijn, doch dat de oorzaak van het niet kunnen opleveren moet worden gezocht in het niet verzorgen van een goede aansluiting door de netbeheerder. Deze stellingname wordt verder niet onderbouwden uitdrukkelijk door mijn cliënte betwist. De juiste aansluitingen zijn wel degelijk gerealiseerd, doch is bij de Brandwacht de omvormer niet conform de geldende normen geplaatst, de verplichte brandvertragende achterwand ontbreekt en de aarding is niet op orde. Bij de Jan de Hartog is de installatie verre van klaar en ontbreken de omvormers (zie ook bijlage).
Indien deze werkzaamheden deugdelijk worden opgeleverd is cliënte bereid om de restantaanneemsom van € 15.921,34 betaalbaar te stellen; dit behoudens verrekening me teen aantal kleinere werkzaamheden die cliënte uit noodzaak en schadebeperking reeds door derden heeft moeten laten verrichten en trekt cliënte haar schadevordering voor dit project ter hoogte van € 68.068,21 in.
binnen twee weken na heden, daadwerkelijk te verrichten, bij gebreke waarvan uw relatie in verzuim verkeert en deze werkzaamheden aan derden zullen worden gegund. [...]”
3.Het geschil
€ 7.855,00 aan meerwerk heeft verricht. [partij B] heeft (de hoogte van) dit bedrag erkend. Weliswaar zijn partijen vervolgens tot een schikkingsovereenkomst gekomen, maar [partij A] had hierin een voorbehoud opgenomen. De schikkingsovereenkomst geldt ook niet langer, omdat [partij B] haar verplichtingen niet is nagekomen. Ten slotte is [partij B] tekortgeschoten in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst van 8 december 2021, aldus [partij A] .
4.De beoordeling
€ 7.855,00 aan meerwerk. Vaststaat dat [partij B] het bedrag van € 6.644,08 op 28 augustus 2024 heeft voldaan. Ook staat vast dat partijen vervolgens een schikkingsovereenkomst hebben bereikt, onder meer ten aanzien van het verrichte meerwerk. Het sluiten van de schikkingsovereenkomst heeft tot gevolg gehad dat [partij B] géén financiële verplichtingen meer had jegens [partij A] . [partij A] betoogt dat de schikking met [partij B] een voorbehoud bevatte. Dit voorbehoud hield volgens [partij A] in dat [partij B] haar nog moest berichten
“welke kosten betrekking hebben op derden en welke werkzaamheden door derden zijn uitgevoerd”(zie ook randnummer 5 van de conclusie van antwoord in reconventie). De kantonrechter vat het betoog van [partij A] zo op, dat [partij A] [partij B] pas na het ontvangen van deze informatie finale kwijting zou verlenen. De kantonrechter verwerpt deze stelling van [partij A] . Met [partij B] is de kantonrechter van oordeel dat dit voorbehoud als zodanig niet volgt uit de e-mails die partijen in de periode vanaf 4 juli 2025 tot en met 23 september 2025 aan elkaar hebben gezonden. Weliswaar heeft de gemachtigde van [partij A] een voorbehoud opgenomen in haar e-mail van 16 september 2026, maar dit voorbehoud staat onder het kopje “ [coöperatie 2] ” (een ander project); niet onder het kopje “ [partij B] ”. Dat het voorbehoud ook zou zijn gemaakt ten aanzien van [partij B] , volgt dus niet uit de tekst van de e-mail van 16 september 2025. [partij A] heeft ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die een dergelijke uitleg van de schikkingsovereenkomst ondersteunen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat het voorbehoud niet gold ten aanzien van [partij B] .
4 februari 2026.