ECLI:NL:RBDHA:2026:14914

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.27712
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.M. van Veelen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6:19 AwbArt. 10:31 BWArt. 29 VwArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing mvv-aanvraag wegens motiveringsgebrek rechtsgeldigheid huwelijk

Eiser diende op 2 november 2022 een mvv-aanvraag in voor zijn echtgenote, die op 10 oktober 2024 werd afgewezen door de minister. Eiser maakte bezwaar en stelde de minister in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd echter als prematuur en niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank oordeelde dat de minister ter zitting een wezenlijk ander standpunt innam dan in het bestreden besluit, waardoor sprake was van een motiveringsgebrek over de rechtsgeldigheid van het huwelijk. Eiser had documenten overgelegd die de rechtsgeldigheid volgens Syrisch recht ondersteunden, maar de minister betwistte de authenticiteit en rechtsgeldigheid volgens Iraaks recht.

De rechtbank stelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de documenten niet betrouwbaar zouden zijn en dat het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond was verklaard zonder hoorzitting. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zestien weken een nieuw besluit te nemen, met vergoeding van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit is vernietigd wegens motiveringsgebrek, met opdracht tot hernieuwde besluitvorming binnen zestien weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27712

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. [naam]),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D. Post).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift en over de afwijzing van de aanvraag die door eiser, tevens referent, ten behoeve van zijn gestelde echtgenote [naam] (hierna: mevrouw [naam]) is ingediend met het doel aan haar een mvv [1] te verlenen. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is en dat het beroep voor zover dit zich richt tegen de alsnog genomen beslissing op bezwaar, gegrond is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister ter zitting een wezenlijk ander standpunt heeft ingenomen dan in het bestreden besluit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
Eiser heeft op 2 november 2022 een mvv-aanvraag ten behoeve van zijn gestelde echtgenote, mevrouw [naam], ingediend. De minister heeft op 10 oktober 2024 de aanvraag afgewezen. Eiser heeft op 8 november 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op 7 juni 2025 heeft eiser de minister in gebreke gesteld omdat nog geen beslissing op bezwaar was genomen. Op 22 juni 2025 heeft eiser een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Bij besluit van 20 augustus 2025 heeft de minister het bezwaar afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister stelt zich daarnaast op het standpunt dat geen dwangsommen zijn verschuldigd omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb [2] geacht mede te zijn gericht tegen het inmiddels genomen besluit van 20 augustus 2025.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Nerwiy. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep gericht tegen niet tijdig beslissen
3. Eiser heeft op 22 juni 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling van eiser op zaterdag 7 juni 2025 door de minister is ontvangen. Dit betekent dat gelet op artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 1 en Pro artikel 3, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet de minister nog tot en met 23 juni 2025 de tijd had om op het bezwaar van eiser te beslissen. Dit betekent dat eiser hij op 22 juni 2025 beroep heeft ingesteld, te vroeg (prematuur) beroep heeft ingesteld. Het beroep voor zover dit zich richt tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
Beroep gericht tegen het besluit van 20 augustus 2025 (het bestreden besluit)4. Eiser heeft een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw [3] . Mevrouw [naam] is geboren op [geboortedatum] 2004, heeft de Syrische nationaliteit en woont in Syrië. Eiser heeft verklaard dat hij en mevrouw [naam] op 16 juni 2021 in Irak in het huwelijk zijn getreden. Mevrouw [naam] wil graag naar Nederland komen om hier samen met eiser het gezinsleven uit te oefenen.
5. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat eiser de familierechtelijke relatie tussen hem en zijn gestelde echtgenote niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de verklaringen van eiser en mevrouw [naam] blijkt dat hun huwelijk is voltrokken in Irak. Op grond van artikel 10:31 van Pro het Burgerlijk Wetboek wordt een in het buitenland gesloten huwelijk in Nederland als rechtsgeldig erkend als dit huwelijk volgens de staat waar de huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden. Gelet op dit artikel had eiser moeten aantonen dat het huwelijk rechtsgeldig is naar Irakees recht en daarin is eiser niet geslaagd. Eiser heeft documenten overgelegd die zien op de rechtsgeldigheid van het huwelijk naar Syrisch recht maar daarmee is niet aangetoond dat het huwelijk rechtsgeldig is naar Irakees recht. Eiser heeft ook zelf verklaard dat het huwelijk in Irak niet kan worden ingeschreven. Omdat eiser niet heeft aangetoond dat het huwelijk rechtsgeldig is naar Irakees recht wordt het huwelijk niet erkend door de Nederlandse staat. Het is daarom volgens de minister niet van belang om in te gaan op de gronden die zien op de tegenwerping dat tegenstrijdig zou zijn verklaard over het samenwonen omdat dit niet ziet op de rechtsgeldigheid van het huwelijk. Ook komt mevrouw [naam] niet in aanmerking voor een mvv op grond van partnerschap. Voor ongehuwde partners geldt dat zij de leeftijd van 18 jaar moeten hebben bereikt. [4] Mevrouw [naam] was op het moment dat eiser in Nederland arriveerde (het peilmoment) echter nog minderjarig. Dat mevrouw [naam] inmiddels meerderjarig is, doet hier volgens de minister niets aan af. Omdat er over de conclusies geen twijfel bestaat en verklaringen tijdens een hoorzitting het voorgaande niet anders kunnen maken, heeft de minister afgezien van het horen en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Er is geen plaats voor een ambtshalve toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM.
6. Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen in dat verband is aangevoerd zal hieronder worden ingegaan.
Is er sprake van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk?
7.1
Op grond van artikel 10:31, eerste lid, van het BW [5] , wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk als rechtsgeldig erkend, indien dit huwelijk ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden aldaar rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden.
7.2
De minister heeft ter zitting aangegeven dat aan eiser niet langer meer wordt tegengeworpen dat er een huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden in Irak. Ondanks dat de minister de huwelijksvoltrekking in Irak niet meer aan eiser tegenwerpt, is er volgens de minister alsnog geen sprake van een naar internationaal privaat rechtsgeldig huwelijk. De minister heeft tijdens de beroepsprocedure vragen gesteld aan het landenteam. Uit deze informatie is gebleken dat er een onderscheid bestaat tussen een traditioneel moslim huwelijk en een burgerlijk huwelijk. Een moslim huwelijk is gebaseerd op een mondelinge overeenkomst, daar hoeft volgens de minister geen akte van te zijn opgemaakt. Dit huwelijk gebeurt namelijk buiten de, in dit geval Iraakse, autoriteiten om. Het burgerlijk huwelijk heeft volgens de minister in Syrië plaatsgevonden. De minister verwijst naar een uitspraak van de Afdeling [6] van 11 april 2019 [7] . Uit rechtsoverweging 3.4 van die uitspraak volgt dat een huwelijksverklaring die is afgegeven door een bevoegde autoriteit, ingevolge artikel 10:31, lid 4, van het BW slechts een vermoeden van rechtsgeldigheid geeft en dat hij daarom in geval van twijfel over de inhoud van die huwelijksverklaring kan onderzoeken of daarmee het bestaan van een huwelijk is aangetoond. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de authenticiteit van het vonnis van de Sharia-rechtbank en de tegenstrijdige verklaringen van eiser en mevrouw [naam] de rechtsgeldigheid van de huwelijksvoltrekking weerspreken. Aangezien de authenticiteit van het vonnis en de tegenstrijdige verklaringen ook al in het primaire besluit aan de orde zijn gekomen, is de minister van mening dat zijn standpunt in wezen niet is veranderd. De motivering is enkel aangescherpt.
7.3
De rechtbank overweegt allereerst dat het zeer kwalijk is dat de minister pas ter zitting, zeker gelet op de langdurige periode die vooraf is gegaan aan de behandeling van de onderhavige zaak op zitting, een gewijzigd standpunt naar voren heeft gebracht. Niet valt in te zien dat dit niet eerder had gekund. De rechtbank is verder van oordeel dat het door de minister ter zitting ingenomen standpunt wezenlijk verschilt van het standpunt zoals dat in het bestreden besluit is ingenomen. De stelling van de minister dat het standpunt in essentie onveranderd is gebleven ondanks de gewijzigde motivering, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Tot aan de zitting was het standpunt van de minister namelijk dat eiser had moeten aantonen dat er sprake was van een naar Irakees recht rechtsgeldig huwelijk en dat daar niet aan was voldaan omdat het huwelijk niet in Irak was/kon worden ingeschreven. De rechtbank is van oordeel dat nu de minister dit heeft laten vallen er sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit voor wat betreft de rechtsgeldigheid van het huwelijk. Met de ter zitting gegeven motivering is dit gebrek niet hersteld. De minister heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom er getwijfeld zou moeten worden aan de door eiser overgelegde Syrische documenten. Het familieboekje en de uittreksels van het familie- en huwelijksregister zijn door Bureau Documenten positief beoordeeld. Uit onderzoek van Bureau Documenten volgt dat er gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal voor wat betreft de echtheid van het vonnis van de Sharia rechtbank in Syrie geen uitspraak kan worden gedaan. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit – anders dan de minister stelt – niet zonder meer worden geconcludeerd dat het vonnis niet authentiek is. De minister heeft dit onvoldoende gemotiveerd. In het bezwaarschrift is eiser ingegaan op de door de minister gestelde tegenstrijdigheden in de verklaringen. In het bestreden besluit is de minister hier in het geheel aan voorbijgegaan met de mededeling dat dit niet relevant is omdat de minister zich op het standpunt stelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het huwelijk naar Irakees recht rechtsgeldig was en de verklaringen en Syrische documenten daar niet aan af konden doen. Ook op dit punt is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit en een zorgvuldigheidsgebrek en ook hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister deze gebreken met de gegeven motivering ter zitting niet heeft hersteld. Tot slot heeft de minister het bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien voor een hoorzitting. De redenering van de minister was dat verklaringen op een hoorzitting niet af zouden kunnen doen aan het gegeven dat er geen sprake was van een naar Irakees recht rechtsgeldig huwelijk omdat dit niet was/kon worden ingeschreven in Irak. Nu de minister ter zitting deze tegenwerping heeft laten vallen, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom sprake zou zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar en ten onrechte afgezien van het horen.
7.4
De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen omdat hieraan een zorgvuldigheidsgebrek kleeft en onvoldoende gemotiveerd is met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het huwelijk. De overige beroepsgronden behoeven om die reden geen bespreking. De rechtbank ziet - gelet op de aard van de gebreken - geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zestien weken.

Conclusie en gevolgen

8. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift, is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit is, gelet op wat hiervoor onder rechtsoverweging 7.1 tot en met 7.4 is overwogen, gegrond. Dit betekent dat de minister de proceskosten moet vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft met betrekking tot het bestreden besluit een beroepschrift ingediend en is ter zitting verschenen. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 1.868,-. (2x € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
S.E.M. Pot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Veemdelingencirculaire 2000 (C), paragraaf 4.1.2.2.
5.Burgerlijk Wetboek.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1161.