Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14919

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.16657
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid

Eiser, van Colombiaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in met als nieuw motief zijn homoseksuele gerichtheid. De minister wees deze aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende persoonlijk en authentiek had verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.

De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser niet geloofwaardig waren. Eiser kon geen samenhangend en aannemelijk verhaal geven over zijn seksuele geaardheid, zijn relatie en de gevolgen daarvan in Colombia en Nederland.

De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat hij door zijn persoonlijkheid en angst voor roddels niet vrijuit kon spreken. Ook de emotionele reactie bij het noemen van zijn voormalige partner werd niet als bewijs van een liefdesrelatie gezien. De rechtbank volgde de minister in het oordeel dat eiser onvoldoende inzicht gaf in zijn bezoeken aan homosauna’s en uitgaansgelegenheden.

Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de afwijzing van de asielaanvraag. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16657

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1.1
Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1976. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 april 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E.E.H. Willems als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De voorgaande procedure
2.1
Eiser heeft eerst op 22 februari 2019 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan die asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij en zijn vader in 1996 in Colombia zijn overvallen door leden van de Clan Del Golfo en eiser uit zelfverdediging een van de overvallers heeft doodgeschoten en dat de familie van het slachtoffer wraak wil nemen op eiser. Enige tijd later is eiser bij een cafébezoek in Colombia beschoten. Eiser heeft Colombia in 2018 vanwege deze problemen verlaten.
2.2
De minister heeft met het besluit van 13 oktober 2021 de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daarnaast een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd.
2.3
In beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, met de uitspraak van 23 maart 2022 [2] het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de problemen met paramilitairen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en een terugkeerbesluit en inreisverbod heeft kunnen opleggen. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld waarmee het besluit van 13 oktober 2021 in rechte vaststaat.
De opvolgende asielaanvraag
3.1
Eiser heeft op 18 juli 2024 de onderhavige opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft bij de zienswijze van 5 augustus 2024 aangegeven dat hij een nieuw asielmotief wenst aan te voeren, namelijk zijn homoseksuele geaardheid.
3.2
Eiser heeft bij het aanvullend gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat hij door paramilitairen in Colombia ervan werd beschuldigd dat hij homoseksueel is. Dit heeft geleid tot conflicten en gevechten. Eiser werd in Colombia gepest vanwege zijn geaardheid. Hij had een geheime relatie met [naam 1], maar [naam 1] is na 1,5 jaar verdwenen.
Het standpunt van de minister
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • De identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • De homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister acht de verklaringen over de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister acht de homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Daar komt bij dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister voldoet eiser daarmee niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw.
Volgens de minister heeft eiser verder geen gegronde vrees voor vervolging aannemelijk gemaakt en loopt hij bij terugkeer naar Colombia geen reëel risico op ernstige schade.
Omdat het gaat om een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid en onder g, van de Vw.
Het standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat de minister niet kan tegenwerpen dat hij onvoldoende heeft verklaard met betrekking tot feitelijkheden over zijn seksuele gerichtheid. De minister heeft namelijk niet geduid waarom deze feitelijkheden van doorslaggevend belang zijn voor de vaststelling van de geloofwaardigheid. Eiser wijst er verder op dat hij niet goed over zijn geaardheid kan verklaren. Eiser heeft altijd moeten zwijgen over zijn geaardheid. Dit heeft zijn persoonlijkheid zo beïnvloedt dat hij niet verdergaand kan spreken over zijn gevoelens rondom zijn geaardheid. De minister heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden. Dit geldt eveneens voor zijn relatie met [naam 1]. Verder voert eiser aan dat de minister meer gewicht had moeten toekennen aan de emotionele reactie van eiser bij het gehoor op het noemen van de naam van [naam 1]. Verder wijst eiser erop dat hij Latino’s niet kan vertrouwen omdat zij in grote mate roddelen. Dit beperkt eiser om over zijn geaardheid te verklaren. Eiser werd in Colombia gepest vanwege zijn homoseksualiteit. Anderen, zoals [naam 2] of [naam 3], kunnen aan eiser merken dat hij homoseksueel is. Dat deze personen dat niet expliciet hebben verklaard, doet daar niets aan af. Verder merkt eiser op dat hij in Nederland uitgaansgelegenheden en homosauna’s bezoekt en het hem blij maakt om zijn homoseksualiteit hier in vrijheid te uiten.
De geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen
6. De minister acht de gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig. Hij werpt tegen dat eiser hierover onvoldoende persoonlijk en authentiek heeft verklaard. Zo weet eiser geen inzicht te geven in de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid. Eiser verklaart oppervlakkig over [naam 1], de man die op liefdesgebied het meest voor hem heeft betekent. Eiser verklaart vaag over de geheimhouding van de gestelde homoseksuele gerichtheid en een goede onderbouwing ontbreekt. Eiser verklaart vaag en wisselend over de pesterijen wegens zijn gerichtheid. Eiser verklaart niet aannemelijk over de gestelde problemen met [naam 3]. Eiser verklaart niet aannemelijk over zijn gay-bar bezoeken in Nederland. Eiser verklaart vaag, ongerijmd en onpersoonlijk over de mannen die hij zou hebben ontmoet in zijn leven.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister inzichtelijk en voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van mening is dat eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet persoonlijk en authentiek zijn. De rechtbank acht de niet onderbouwde stelling van eiser dat hij niet verdergaand kan verklaren over de gestelde gerichtheid omdat hij hierover nooit vrijuit heeft kunnen spreken en dat Latino’s veel roddelen onvoldoende voor een ander oordeel. Het is aan eiser om zijn asielrelaas te onderbouwen en inzicht te verschaffen in de gestelde gerichtheid aan de hand van zijn eigen verklaringen. De rechtbank acht van belang dat in het aanvullend gehoor opvolgende aanvraag uitgebreid is doorgevraagd en dat eiser meermaals de gelegenheid heeft gehad om inzicht te geven in zijn beleefwereld. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser dit onvoldoende heeft gedaan. De minister heeft dan ook kunnen tegenwerpen dat eiser ook feitelijke vragen (zoals zijn leeftijd bij de ontdekking van de homoseksualiteit en welke situaties in zijn leven er toe hebben geleid dat hij altijd zeker was van zijn gerichtheid) niet kan beantwoorden. [3] De stelling van eiser dat de minister onvoldoende inzicht geeft in hoeveel waarde is toegekend aan de tegenwerping over de beantwoording van feitelijke vragen volgt de rechtbank evenmin. De minister heeft in het voornemen kenbaar gemotiveerd dat (met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling) het zwaartepunt ligt bij de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. [4] De beroepsgrond slaagt niet.
7.2
De rechtbank volgt de minister ook in zijn stelling dat eiser oppervlakkig verklaart over de gestelde relatie met [naam 1]. Eiser geeft op geen enkele wijze inzicht in hoe de relatie is ontstaan, wat eiser aantrok in [naam 1] en hoe de relatie zich heeft ontwikkeld. De minister heeft in het besluit kenbaar betrokken dat eiser emotioneel wordt bij het bespreken van zijn relatie met [naam 1]. [5] In dat kader volgt de rechtbank de minister in de motivering dat dit er niet aan afdoet dat eiser betreffende de gestelde relatie met [naam 1] geen persoonlijke verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat de emotie ten aanzien van [naam 1] niets zegt over de aard van de relatie en daarom niet onderbouwt dat die emotie verband houdt met een liefdesrelatie zoals eiser stelt. De beroepsgrond slaagt niet.
7.3
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat sprake is van toegedichte homoseksualiteit volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser stelt enkel dat aan hem zichtbaar is dat hij homoseksueel is maar hij heeft op geen enkel moment verklaard dat hij vreest voor toegedichte homoseksualiteit. De rechtbank volgt de minister in diens toelichting ter zitting dat eiser over de pesterijen vanuit [naam 2] niet heeft verklaard dat dit verband hield met de gestelde homoseksuele gerichtheid nu hij daarover juist heeft verklaard dat de ruzie ging over een mogelijke rekrutering van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
7.4
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn gestelde gerichtheid ook niet heeft onderbouwd aan de hand van zijn verklaringen over het bezoeken van uitgaansgelegenheden en homosauna’s. Eiser verklaart vaag over de bezoeken, zo kan hij geen naam noemen van een bar die hij bezocht heeft en kan hij niets concreets vertellen over de reden van zijn bezoeken of wat hem is bijgebleven. Ook kan hij niet vertellen wie hij heeft gesproken of waar de gesprekken over gingen. Eiser biedt met zijn summiere en oppervlakkige verklaringen geen inzicht in zijn persoonlijke beleving bij de gestelde bezoeken aan de uitgaansgelegenheden en homosauna’s. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Gelet op het voorgaande heeft de minister de homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L.M. Celie, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zaaknummer: NL21.16326.
3.Bestreden besluit, p. 2-3.
4.Voornemen, p. 4.
5.Bestreden besluit, p. 3.