Eiser, van Colombiaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in met als nieuw motief zijn homoseksuele gerichtheid. De minister wees deze aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende persoonlijk en authentiek had verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser niet geloofwaardig waren. Eiser kon geen samenhangend en aannemelijk verhaal geven over zijn seksuele geaardheid, zijn relatie en de gevolgen daarvan in Colombia en Nederland.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat hij door zijn persoonlijkheid en angst voor roddels niet vrijuit kon spreken. Ook de emotionele reactie bij het noemen van zijn voormalige partner werd niet als bewijs van een liefdesrelatie gezien. De rechtbank volgde de minister in het oordeel dat eiser onvoldoende inzicht gaf in zijn bezoeken aan homosauna’s en uitgaansgelegenheden.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de afwijzing van de asielaanvraag. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.