ECLI:NL:RBDHA:2026:14920
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 3 april 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met de hoofdzaak op 16 april 2026. Omdat de rechtbank inmiddels uitspraak heeft gedaan op het beroep in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.16657), achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, voorzieningenrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de asielaanvraag is afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.