De heer heeft op 20 maart 2026 een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet, met het doel een geplande woningontruiming op 23 maart 2026 te verbieden. De ontruiming zou een bedreigende situatie veroorzaken en de heer wilde het minnelijk traject voortzetten om met schuldeisers een regeling te treffen.
De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie en dat de heer een schuldhulpverleningstraject was gestart met Noordzij Insolventie B.V. De lopende huurtermijnen werden inmiddels voldaan, mede dankzij hulpverlening van de gemeente Den Haag en garanties van het fonds Bijzondere Noden. Hierdoor was voldoende gewaarborgd dat de huurbetalingen tijdig zouden plaatsvinden.
In de belangenafweging woog de rechtbank het belang van de heer om woonruimte te behouden zwaarder dan het belang van de verhuurder om de vordering betaald te krijgen, mede omdat de verhuurder gebaat is bij een geslaagde minnelijke regeling. Het verweer dat de heer te laat was met het nakomen van verplichtingen werd verworpen vanwege zijn beschermingsbewind en de getroffen betalingsregelingen.
De rechtbank besloot het verzoek toe te wijzen en legde een moratorium van zes maanden op, waarin de ontruiming verboden is en de lopende huurtermijnen worden voldaan. Dit moratorium geldt totdat het WSNP-verzoek is afgehandeld of ingetrokken. De schuldhulpverlener moet uiterlijk vier weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen aan de rechtbank.