Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14943

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28677
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie na afwijzing asielaanvraag

Eiseres is op 5 mei 2026 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Haar asielaanvraag is op 20 mei 2026 afgewezen, waarna zij beroep en een voorlopige voorziening heeft ingesteld. Eiseres betoogt dat de vrijheidsontnemende maatregel had moeten worden omgezet na de afwijzing van haar asielaanvraag.

De rechtbank oordeelt dat de vrijheidsontnemende maatregel terecht is opgelegd en voortgezet op grond van artikel 6, derde lid, Vw, omdat het beroep tijdig is ingesteld en de uitzetting wordt uitgesteld totdat op het beroep is beslist. De rechtbank volgt hiermee de jurisprudentie van het Hof van Justitie in de zaken Gnandi en C., J. en S.

Verder voert eiseres aan dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medische klachten, waaronder een cyste en een infectie aan de eierstokken. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze medische omstandigheden heeft betrokken bij de belangenafweging en dat eiseres toegang heeft tot medische zorg en medicatie. Er is geen aanleiding om de maatregel te wijzigen of op te heffen.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.28677
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Nyembo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
2.1
Eiseres voert aan dat de maatregel omgezet had moeten worden. Op 20 mei 2026 is haar asielaanvraag afgewezen. Daartegen zijn beroep en een voorlopige voorziening ingediend. Volgens eiseres had na de afwijzing een nieuwe toets plaats moeten vinden naar de vraag of de voortzetting van de grensdetentie noodzakelijk is en had de maatregel moeten worden omgezet.
2.2
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiseres nog op de juiste grondslag in grensdetentie zit. Eiseres heeft op 5 mei 2026 asiel aangevraagd op Schiphol en deze aanvraag is op 20 mei 2026 afgewezen. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw heeft verweerder de bevoegdheid om eiseres tijdens de behandeling van haar asielaanvraag in de grensprocedure een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Uit het arrest in de zaak Gnandi [1] en de beschikking in de zaak C., J. en S. [2] volgt onder meer dat artikel 6, derde lid, van de Vw van toepassing is in de situatie dat tijdig beroep is ingesteld, terwijl bij of krachtens de Vreemdelingenwet uitzetting achterwege blijft totdat uitspraak is gedaan op het beroep. Niet in geschil is dat eiseres op tijd, op
21 mei 2025, beroep en een voorlopige voorziening tegen het afwijzende asielbesluit heeft ingediend en dat hierop nog geen uitspraak is gedaan. Artikel 6, derde lid, van de Vw kan daarom nog steeds ten grondslag worden gelegd aan de vrijheidsontneming. De beroepsgrond slaagt niet.
3.1
Eiseres voert verder in het kader van de belangenafweging aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar medische klachten. Zij heeft last van buikpijn vanwege een infectie en constipatie. Volgens eiseres is de enkele verwijzing naar de medische dienst onvoldoende.
3.2
Verweerder heeft in het gehoor voorafgaand aan de maatregel specifiek gevraagd naar feiten en omstandigheden die maken dat de oplegging van de maatregel niet mogelijk is. In het verslag van dat gehoor staat het volgende:
Ik ben voornemens aan u een vrijheid ontnemende maatregel op te leggen. Zijn er feiten en/of omstandigheden die maken dat dit volgens u, in uw geval niet mogelijk is?
“Ik ga liever de asielprocedure in dan dat ik terugga naar de Comoren.”
Zijn er bijzondere medische omstandigheden waarmee rekening gehouden moet worden?
Gebruikt u medicijnen?
“Er is mij in het ziekenhuis verteld dat ik een cyste in mijn buik heb. Er is ook gezegd dat ik een infectie aan mijn eierstokken heb. Ik heb daar ook medicatie voor gekregen, maar dat is op.”
3.3
Eiseres heeft aangegeven dat zij een cyste in haar buik heeft en een infectie aan haar eierstokken. Verweerder heeft die medische omstandigheden kenbaar bij de belangenafweging in de maatregel betrokken. Verder heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiseres zich zo nodig kan wenden tot de medische dienst en heeft hij kunnen volstaan met deze verwijzing naar de medische voorzieningen. Er is niet gebleken dat die tot nu toe ontoereikend zijn geweest. Eiseres krijgt hulp en medicatie, zo heeft zij op zitting verklaard. De rechtbank oordeelt dan ook dat er geen feiten of omstandigheden zijn die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn een lichter middel dan bewaring op te leggen dan wel de maatregel bij een afweging van belangen op te heffen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van 19 juni 2018, Gnandi, ECLI:EU:C:2018:465.
2.Beschikking van het Hof van Justitie van 5 juli 2018, C, J en S, ECLI:EU:C:2018:544.