ECLI:NL:RBDHA:2026:14967

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
693786
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.M. de Kort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:129e BWArt. 7:129f BWArt. 7:129c BWArt. 3:303 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling tweede lening van 61.000 euro en wettelijke rente toegewezen

Partijen hadden een persoonlijke relatie en sloten op 1 september 2022 een schriftelijke leningsovereenkomst van €90.000 met terugbetaling uiterlijk 31 december 2032. Later, rond 31 augustus 2023, is een mondelinge tweede lening van €61.000 overeengekomen, die uiterlijk 2 augustus 2025 terugbetaald moest worden.

De gedaagde betwistte de omvang en het terugbetalingstermijn van de tweede lening, maar de rechtbank oordeelde dat de volledige €61.000 als lening moest worden terugbetaald. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf 3 augustus 2025, omdat de lening op 20 juni 2025 is opgeëist via de advocaat van de gedaagde.

De rechtbank wees de vorderingen van de gedaagde af en veroordeelde hem tot betaling van de lening, rente en proceskosten. De gevorderde verklaringen voor recht door de eiser werden niet-ontvankelijk verklaard omdat het vonnis de terugbetalingstermijn voldoende vaststelde.

Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling van €61.000 met wettelijke rente vanaf 3 augustus 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Civiel recht
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: C/09/693786 / HA ZA 25-952
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. E.M. Prins,
tegen
[partij B],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. C.I. Zaad.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- het tussenvonnis van 11 februari 2026
- het bericht van de rechtbank van 27 februari 2026
- de akte van [partij A]
1.2.
Op 23 april heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren partijen vertegenwoordigd, bijgestaan door de advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. [partij A] heeft mondeling gereageerd op de vordering in reconventie. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen [partij A] en [partij B] bestond enige tijd een persoonlijke relatie, die bijvoorbeeld inhield dat partijen samen tennisten en toernooien bezochten. Daarnaast heeft [partij B] een periode bij [partij A] in huis gewoond.
2.2.
Partijen hebben op 1 september 2022 een schriftelijke overeenkomst van geldlening gesloten. De overeenkomst verplichtte [partij A] om € 90.000 aan [partij B] over te maken. [partij B] moest het geleende geld (plus een rente van 6%) uiterlijk op 31 december 2032 aan [partij A] terugbetalen. Het doel van de lening (zoals omschreven in de overeenkomst) was
“een boost te geven aan het leven van [ [partij B] ]”, waarbij is bepaald dat [partij B] vrij was om hierin zijn keuzes te maken.
2.3.
[partij A] heeft in de periode van juni 2022 tot en met juli 2023 door middel van verschillende overboekingen in totaal € 91.050 aan [partij B] betaald. Een deel van deze betalingen, in totaal € 57.920, bevatte de omschrijving “lening”. De overige
€ 33.130 was anders omschreven of had geen omschrijving. Twee overboekingen waren niet bedoeld als lening; daarover hadden partijen andere afspraken gemaakt. Het gaat om een betaling van € 1.000 met de omschrijving “Gekocht auto” en een betaling van € 150 met de omschrijving “Kosten Polo”.
2.4.
Omstreeks 31 augustus 2023 hebben partijen elkaar gesproken over een tweede lening. Het gesprek vond plaats in de periode dat [partij B] bij [partij A] inwoonde, op een moment dat zij allebei thuis waren. Kort na het gesprek heeft [partij A]
€ 61.000 aan [partij B] overgemaakt, in twee deelbetalingen. Een betaling van € 35.000 op 31 augustus 2023 en een betaling van € 26.000 op 1 september 2023. De beide overboekingen hadden de omschrijving “lening”. De betaling vond in twee delen plaats vanwege door de bank gestelde daglimieten.
2.5.
Inmiddels is de relatie tussen partijen ernstig verslechterd. [partij A] heeft aangifte tegen [partij B] gedaan. Daarnaast hebben partijen al eens tegenover elkaar gestaan in een procedure voor deze rechtbank over een huurgeschil.

3.Het geschil

3.1.
[partij A] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – samengevat:
1. voor recht te verklaren dat [partij B] op of omstreeks 31 augustus 2023 een bedrag van in totaal € 61.000 heeft geleend van [partij A] (tweede lening) en dat deze lening is aangegaan naast de lening van € 90.000 waarvoor op 1 september 2022 tussen eiser en gedaagde een overeenkomst is afgesloten (eerste lening);
2. voor recht te verklaren dat er een wettelijke rente is ingegaan voor de tweede lening in 1 genoemd, vanaf 4 augustus 2025 tot het moment van afbetaling van de lening;
3. [partij B] te veroordelen om, ten aanzien van de tweede lening, aan [partij A] een bedrag van € 61.000 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
4. veroordeling van [partij B] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] . [partij B] vordert op zijn beurt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – samengevat:
1. te beslissen dat geen (tweede) geldlening voor het bedrag van € 61.000 tussen partijen bestaat of heeft bestaan;
2. te bepalen dat als er wel een overeenkomst van (tweede) geldlening bestaat, deze maximaal € 28.920 bedraagt;
3. op grond van artikel 7:129f BW te bepalen dat de lening pas op 31 december 2032 moet zijn terugbetaald, dan wel dat er een betalingsregeling moet worden overeengekomen;
4. afwijzing van enige rente over het geleende bedrag;
5. veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
3.3.
[partij A] heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie.

4.De beoordeling

in conventie en reconventie
4.1.
De rechtbank zal de vorderingen, gelet op hun onderlinge samenhang over en weer, samen bespreken.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat partijen een mondelinge geldleningsovereenkomst (de tweede lening) hebben gesloten op grond waarvan [partij B] € 61.000 aan [partij A] moet betalen. [partij B] moest dit bedrag uiterlijk op 2 augustus 2025 aan [partij A] voldoen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.3.
De afspraak die partijen omstreeks 31 augustus 2023 hebben gemaakt betreft een (mondelinge) overeenkomst van geldlening, waarbij [partij A] zich heeft verplicht om aan [partij B] een som geld te betalen en [partij B] zich heeft verplicht die som geld aan [partij A] terug te betalen. Tot zover bestaat tussen partijen geen discussie. Partijen zijn het alleen niet eens over (i) de hoogte van het bedrag en (ii) wanneer [partij B] dat bedrag moest terugbetalen.
(i) De lening betrof € 61.000
4.4.
Volgens [partij A] moet [partij B] het overgemaakte bedrag van € 61.000 volledig terugbetalen. [partij B] is het daar niet mee eens en vindt dat hij maar € 28.920 aan [partij A] hoeft terug te betalen. Aan dat standpunt legt [partij B] ten grondslag dat alleen de overboekingen die [partij A] heeft gedaan met de omschrijving “lening” als een lening zijn aan te merken. Het gaat om een bedrag van in totaal € 118.920 (waarvan € 57.920 voorafgaand aan het sluiten van de tweede lening en € 61.000 daarna). Volgens [partij B] moet van dat totaal € 90.000 worden afgetrokken, omdat de eerste geldlening geen onderwerp is van deze procedure. Zo komt [partij B] uit op een bedrag van € 28.920.
4.5.
De vraag wat de omvang van de tweede lening is, moet worden beantwoord aan de hand van de afspraken daarover tussen partijen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit de omschrijving van de overboekingen kan blijken wat partijen hebben bedoeld met elkaar af te spreken, maar de omschrijving is op zichzelf niet doorslaggevend. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang.
4.6.
In dit geval hadden partijen eerder, op 1 september 2022, al een schriftelijke overeenkomst afgesloten voor een (eerste) lening van € 90.000. Op het moment dat partijen elkaar omstreeks 31 augustus 2023 spraken over een aanvullende betaling, had [partij A] al meer dan € 90.000 aan [partij B] overgemaakt. [partij A] stelt dat [partij B] moest begrijpen dat de betalingen die hij tot dan toe van hem had ontvangen, bedoeld waren om uitvoering te geven aan de overeenkomst over de eerste lening tussen partijen – ook als niet alle overboekingen een duidelijke betalingsomschrijving bevatten. De enige uitzonderingen hierop zijn de € 150 “kosten Polo” en € 1.000 “gekocht auto” waarover partijen andere afspraken hebben gemaakt.
4.7.
[partij B] heeft aangevoerd dat een deel van de betalingen zag op activiteiten die partijen gezamenlijk ontplooiden. Dat heeft [partij A] voldoende weersproken. Ter zitting heeft [partij B] bovendien verklaard dat op het moment van aangaan van de eerste geldlening van € 90.000 duidelijk was dat [partij B] de activiteiten alleen ondernam. Dat een deel van de betalingen zouden zijn verricht vanwege gezamenlijke activiteiten en daarom niet is aan te merken als lening heeft [partij B] dus niet (voldoende) onderbouwd.
4.8.
[partij A] had dus het eerste leenbedrag volledig uitbetaald op het moment dat partijen in gesprek raakten over de tweede geldlening. Er zijn ook verder geen omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat partijen hebben bedoeld af te spreken dat een deel van de betaling van € 61.000 hoorde bij de eerste geldlening en alleen het restant een nieuwe geldlening betrof. [partij B] kon de betalingen van 31 augustus en 1 september 2023 redelijkerwijs niet anders begrijpen dan als de tweede geldlening waarover partijen hadden gesproken.
4.9.
Kortom, [partij B] was op grond van de mondelinge leningsovereenkomst verplicht om het bedrag van € 61.000 (de tweede lening) volledig aan [partij A] terug te betalen.
(ii) [partij B] moest de geleende € 61.000 terugbetalen op uiterlijk 2 augustus 2025
4.10.
Partijen zijn het niet eens over de vraag wanneer [partij B] de tweede geldlening aan [partij A] moest terugbetalen. De rechtbank oordeelt dat de hoofdregel van artikel 7:129e BW van toepassing is. Die regel bepaalt dat [partij B] verplicht is de verschuldigde
€ 61.000 aan [partij A] terug te geven binnen zes weken nadat [partij A] heeft laten weten dat hij de lening opeist. De advocaat van [partij A] heeft de lening op 20 juni 2025 per e-mail opgeëist, waardoor de betalingstermijn van zes weken is verstreken op 2 augustus 2025.
4.11.
[partij B] betoogt dat hij de mededeling van opeising niet heeft ontvangen en dat het gevolg daarvan is dat de termijn van zes weken niet is gaan lopen. De rechtbank gaat daar niet in mee. De e-mail van 20 juni 2025 was gericht aan de advocaat van [partij B] , die ter zitting heeft bevestigd dat hij deze e-mail heeft ontvangen. Het is niet van belang of de advocaat de e-mail aan [partij B] heeft doorgestuurd. De mededeling is namelijk gedaan aan een gevolmachtigde. Voor zover de advocaat op dat moment geen toereikende volmacht had, geldt dat sprake was van schijn van volmachtverlening. [partij B] had deze advocaat ingeschakeld voor een recente procedure tussen partijen, waarbij over de tweede lening is gesproken. De advocaat van [partij A] mocht er daarom op vertrouwen dat de advocaat voor [partij B] optrad, ook waar het ging om de tweede geldlening, en dat hij om die reden [partij B] niet direct kon of mocht aanschrijven. Dat vertrouwen is overigens terecht gebleken, nu dezelfde advocaat zich in deze procedure voor [partij B] heeft gesteld.
4.12.
[partij B] beroept zich daarnaast op de uitzondering van artikel 7:129e BW, die ziet op de situatie dat uit de overeenkomst een ander tijdstip voor terugbetaling voortvloeit. Volgens [partij B] geldt de terugbetalingstermijn die partijen hebben afgesproken voor de eerste lening ook voor de tweede lening. Dat zou betekenen dat de tweede lening op 31 december 2032 moet worden terugbetaald. [partij A] heeft echter ter zitting onweersproken aangevoerd dat de tweede lening onder andere omstandigheden is verstrekt dan de eerste. De relatie tussen partijen stond onder spanning en [partij A] voelde druk om meer geld over te maken, omdat hij vreesde anders geen terugbetaling te ontvangen van de eerste lening. Het ging om het laatste geld dat hij beschikbaar had en het was niet de bedoeling om dit voor langere tijd uit te lenen, zeker niet voor een termijn van bijna tien jaar. Voor zover partijen tijdens hun gesprek over de tweede lening iets hebben besproken over een betalingsmoment, was dit volgens [partij A] juist terugbetaling binnen 1 à 2 jaar. Gelet hierop heeft [partij B] niet toereikend onderbouwd dat uit de afspraak tussen partijen voortvloeit dat de tweede lening op 31 december 2032 moest worden terugbetaald.
4.13.
Anders dan [partij B] stelt, is artikel 7:129f BW niet van toepassing. Dat artikel biedt een mogelijkheid voor de rechtbank om het tijdstip van opeisbaarheid nader te bepalen in het geval dat partijen zouden hebben afgesproken dat [partij B] de lening mocht terugbetalen wanneer hij daartoe in staat is. [partij B] veronderstelde dat hij eind 2032 in staat zou zijn om de (tweede) lening terug te betalen. Uit de (niet weersproken) stellingen en houding van [partij A] bij het aangaan van de tweede lening (zoals hiervoor besproken) blijkt dat een dergelijke, lange termijn voor hem niet acceptabel was. Van een afspraak dat [partij B] de lening zou terugbetalen wanneer hij daartoe in staat is, is dus niet gebleken.
De rechtbank veroordeelt [partij B] tot betaling van € 61.000 en wijst de wettelijke rente toe met ingang van 3 augustus 2025
4.14.
Partijen hebben een mondelinge overeenkomst van geldlening gesloten op grond waarvan [partij B] op uiterlijk 2 augustus 2025 € 61.000 aan [partij A] moest terugbetalen. De rechtbank wijst daarom de vordering van [partij A] om [partij B] te veroordelen tot betaling van € 61.000 toe, plus wettelijke rente met ingang van de dag na de uiterste datum voor betaling (vordering onder 3, in randnummer 3.1.).
4.15.
De rechtbank verwerpt het betoog van [partij B] dat hij geen rente verschuldigd zou zijn. [partij B] onderbouwt zijn standpunt met een beroep op artikel 7:129c BW, welk artikel bepaalt dat bij een niet-zakelijke lening alleen rente verschuldigd is als partijen dat schriftelijk zijn overeengekomen. Het artikel ziet op contractuele rente, dat wil zeggen: een afspraak waarbij de lener gedurende de looptijd van de lening een percentage van de hoofdsom betaalt aan de uitlener. [partij A] vordert geen contractuele rente, maar wettelijke rente. Wettelijke rente is iets anders; namelijk een vorm van schadevergoeding die [partij B] aan [partij A] moet betalen omdat hij niet op tijd aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Het beroep op artikel 7:129c BW gaat daarom niet op.
[partij A] niet-ontvankelijk in gevorderde verklaringen voor recht
4.16.
De rechtbank verklaart [partij A] op grond van artikel 3:303 BW Pro niet-ontvankelijk in de gevorderde verklaringen voor recht (vorderingen onder 1 en 2 in randnummer 3.1.). [partij A] heeft ter zitting toegelicht dat de gevorderde verklaringen voor recht alleen van belang zijn als de rechtbank zich in het vonnis niet uitlaat over de datum voor terugbetaling van de tweede lening. Omdat de rechtbank heeft overwogen dat [partij B] gehouden was op uiterlijk 2 augustus 2025 € 61.000 aan [partij A] te betalen en dat hij vanaf dat moment de wettelijke rente moet betalen, heeft [partij A] geen belang bij de gevorderde verklaringen voor recht.
De reconventionele vorderingen worden afgewezen
4.17.
Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vorderingen 1, 2 en 3 in randnummer 3.2. moeten worden afgewezen.
Proceskosten
4.18.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie en in reconventie (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden in conventie begroot op € 4.248,14, bestaande uit € 146,14 kosten dagvaarding, € 1.374 aan griffierecht, € 2.580,00 (2 punten × € 1.290,00) aan salaris advocaat en € 148 aan nakosten. In reconventie begroot de rechtbank de kosten aan de zijde van [partij A] op € 148 aan nakosten. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als gevorderd.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 61.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
verklaart [partij A] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen onder 1 en 2 in randnummer 3.1.,
5.3.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 4.248,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [partij B] af
5.7.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 148,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.