Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14970

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
09/234184-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen cocaïnehandel vanuit woning met gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 2 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van medeplegen van cocaïnehandel vanuit zijn woning in Naaldwijk gedurende de periode van 15 december 2024 tot en met 5 september 2025. Daarnaast werd hem witwassen van een geldbedrag van €3.695 ten laste gelegd.

Tijdens de terechtzitting op 19 mei 2026 heeft de rechtbank het bewijs onderzocht. De rechtbank achtte het bewijs voor de periode vóór 15 december 2024 onvoldoende en beperkte de bewezenverklaring tot de periode vanaf die datum. De aanwezigheid van ongeveer 286,8 gram cocaïne op 5 september 2025 werd eveneens bewezen verklaard. Het witwassen van het geldbedrag werd niet bewezen verklaard omdat de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring gaf over de herkomst van het geld, namelijk handel in Pokémon-kaarten, en het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek had verricht.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 194 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis bij niet-naleving. De voorlopige hechtenis werd opgeheven. De verdachte kreeg bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een verbod op het gebruik van verdovende middelen, een contactverbod met de medeverdachte en het nastreven van zinvolle dagbesteding.

De inbeslaggenomen contante bedragen werden teruggegeven aan de verdachte, terwijl de in beslag genomen telefoon werd verbeurd verklaard omdat deze werd gebruikt bij het plegen van het strafbare feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf waarvan 194 voorwaardelijk en 80 uur taakstraf voor medeplegen cocaïnehandel; vrijspraak van witwassen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/234184-25
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1988 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
feitelijk verblijfsadres: [adres 2] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.A. Ramdharie-Beckers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Gravesteijn naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, in of omstreeks de periode van 7 maart 2024 tot en met 5 september 2025 te Naaldwijk, gemeente Westland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 5 september 2025 te Naaldwijk, gemeente Westland opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 286,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 5 september 2025, te Naaldwijk, gemeente Westland een geldbedrag van 3695 euro,
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde periode dient te worden beperkt tot de periode van december 2024 tot en met september 2025. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Vrijspraak van feit 3 (witwassen)
De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Toetsingskader
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij een bedrag van € 3.695,00 heeft witgewassen. Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp – in dit geval twee contante bedragen – afkomstig is uit enig misdrijf. Daaronder valt ook de situatie dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet uit enig misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352).
Vermoeden van witwassen
In de woning van de verdachte is een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanuit zijn woning drugs heeft verhandeld. Het is algemeen bekend dat met de handel in drugs grote contante geldbedragen worden verdiend. Tegen deze achtergrond mag van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete en verifieerbare verklaring geeft over de herkomst van de bij hem aangetroffen contante geldbedragen van € 2.000,00 (in een kluis in de woning) en € 1.695,00 (in de portemonnee van verdachte).
Verklaring verdachte
Op 6 september 2025 heeft de verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van de contante bedragen, namelijk dat hij deze heeft verdiend aan de handel in zogenaamde Pokémon-kaarten en Funko’s. Ter terechtzitting heeft de verdachte stukken overgelegd ten aanzien van zijn handel in Pokémon-kaarten.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte concreet en verifieerbaar genoeg is geweest, om van het Openbaar Ministerie te verlangen dat nader onderzoek werd gedaan naar de herkomst van de gevonden contante bedragen. Verdachte heeft in de kern consistent verklaard en al bij zijn eerste verhoor aangegeven dat de bedragen hierdoor zijn verdiend. Daarnaast zijn de contante bedragen ook niet zo groot, dat deze niet door Pokémon-kaarten handel kunnen zijn verdiend. Ook uit de stukken die ter terechtzitting bij pleidooi zijn overgelegd, blijkt dat de verdachte handelde in Pokémon-kaarten. Nu dat onderzoek door het Openbaar Ministerie niet heeft plaatsgevonden, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat niet is bewezen dat verdachte het geld heeft witgewassen, zodat hij hiervan wordt vrijgesproken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen feit 1 en 2
De rechtbank heeft in de bijlage (
bijlage I) opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverweging
Het dossier biedt – op een enkele verklaring van een afnemer van verdachte na –onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat de verdachte vanaf maart 2024 in cocaïne heeft gehandeld. Met de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat de in feit 1 tenlastegelegde pleegperiode moet worden beperkt tot de periode van 15 december 2024 tot en met 5 september 2025. Het eerste berichtenverkeer dat verband houdt met de verkoop van drugs zoals aangetroffen op de telefoon van verdachte dateert immers van 15 december 2024. De rechtbank zal de verdachte voor de resterende periode partieel vrijspreken.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van
15 december2024 tot en met 5 september 2025 te Naaldwijk, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 5 september 2025 te Naaldwijk, opzettelijk aanwezig heeft gehad
285,4 gramcocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 258 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering, en een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit een eventuele gevangenisstraf zoveel mogelijk voorwaardelijk op te leggen, met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, met de eventuele toevoeging van een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich, samen met zijn medeverdachte, schuldig gemaakt aan cocaïnehandel vanuit hun woning gedurende een periode van meer dan 9 maanden. De verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de verspreiding van schadelijke drugs in de samenleving. Het is algemeen bekend hoezeer cocaïne verslavend is en dat (regelmatig) gebruik daarvan schadelijke gevolgen heeft voor gebruikers op lichamelijk, psychisch en sociaal vlak. Naast gevaar voor de volksgezondheid levert cocaïnehandel ook risico’s op voor de maatschappelijke veiligheid. Handel in verdovende middelen veroorzaakt vaak overlast op straat en gaat ook vaak samen met andere vormen van (gewelddadige) criminaliteit. De verdachte heeft al deze gevolgen voor de samenleving naast zich neergelegd. De rechtbank rekent dat de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 mei 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte meer dan 15 jaar geleden is veroordeeld voor bezit van verdovende middelen. De rechtbank heeft dit in de strafmaat van deze zaak niet in het voor- of nadeel van de verdachte meegewogen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 24 februari 2026, waaruit volgt dat sprake was van een gebrek aan dagbesteding tijdens het delict, de verdachte geen inkomen had en verdachte een cocaïneverslaving heeft ontwikkeld. De reclassering schat het recidiverisico in als laag. Sinds zijn schorsing op 16 december 2025 heeft de verdachte afstand genomen van het sociale netwerk van drugsgebruikers, heeft hij een fulltime baan en krijgt hij veel steun van zijn familie. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • een ambulante behandeling;
  • een verbod om verdovende middelen te gebruiken;
  • een contactverbod met de medeverdachte; en
  • een zinvolle dagbesteding.
De verdachte heeft tijdens zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis een negatieve terugmelding gehad van de reclassering op 6 mei 2025, omdat hij een schorsingsvoorwaarde, te weten het verbod om verdovende middelen te gebruiken, meermaals heeft overtreden.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 194 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.
De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank benadrukt dat het verbod om verdovende middelen te gebruiken één van deze voorwaarden is, en dat dit verbod geldt zolang de reclassering dat nodig acht.
Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 80 uren passend en geboden, te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan het voorarrest, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat (i) de contante bedragen van € 2.000,00 en € 1.695,00 (genoemd op de beslaglijst onder 1 en 2), en (ii) de telefoon (beslaglijst onder 3) verbeurd worden verklaard. In combinatie met de drugs die de verdachte heeft verhandeld houden het geld en de telefoon verband met de gepleegde strafbare feiten.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de inbeslaggenomen contante bedragen en de telefoon terug te geven aan de verdachte.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal ten aanzien van de geldbedragen van € 2.000,00 en € 1.695,00 (genoemd onder 1 en 2 van de beslaglijst) de teruggave gelasten, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het witwassen van deze bedragen en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
De in beslag genomen telefoon zal worden verbeurd verklaard. Het onder 1 bewezen feit is met behulp van de telefoon begaan. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; en
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
300 (driehonderdvijfenzestig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
194 (honderdvierennegentig) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan [adres 3] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve vaardigheden (oorzaak/gevolg, impulsiviteit), traumaverwerking (gebeurtenissen P.I.) en, indien nodig, verslavingsproblematiek;
- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek, zolang en zo vaak als de reclassering dit noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 1978, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
80 (tachtig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
40 (veertig) DAGEN;
de voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de inbeslaggenomen goederen
verklaart verbeurd het op de beslaglijst van 17 november 2025 onder 3 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Telefoonautomaat (omschrijving: PL1500-2025292562-3382567 Zwart, merk: Apple Iphone);
gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst van 17 november 2025 onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten:
  • 1.695,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-2025292562-3382710)
  • 2.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-2025292562-3382798)
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. N. Hengeveld, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.J. Koster, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.