Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.45566
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:28 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding kosten DNA-onderzoek na intrekking MVV-besluit

Eiseres 1 en eiseres 2 dienden een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) als familieleden van hun zoon/broer, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de familierechtelijke relatie en feitelijke gezinsband. Na beroep trok de minister het besluit in vanwege DNA-onderzoek dat de familieband bevestigde.

Eiseres 1 verzocht vergoeding van de kosten van het DNA-onderzoek, omdat dit onderzoek leidde tot intrekking van het besluit. De minister bood vergoeding van rechtsbijstandkosten aan, maar weigerde de DNA-kosten te vergoeden, stellende dat het besluit niet onrechtmatig was en dat het DNA-onderzoek niet verplicht was.

De rechtbank oordeelde dat de minister niet gehouden is de DNA-kosten te vergoeden, omdat het onderzoek door eiseres zelf was geïnitieerd en het primaire besluit niet verwijtbaar onrechtmatig was. De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van DNA-kosten af, maar veroordeelde de minister tot vergoeding van de reeds aangeboden rechtsbijstandkosten en een vergoeding voor de zitting.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens intrekking van het besluit, maar het verzoek tot vergoeding van DNA-onderzoekkosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45566

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres 1

geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [v-nummer 1] ,

[naam 2] , eiseres 2,

geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [v-nummer 2]
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Procesverloop

1. Eiseres 1 en eiseres 2 hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij referent, hun zoon respectievelijk broer, [naam 3] . De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres 1 en eiseres 2 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiseres 1 en eiseres 2 hebben op 19 september 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Bij brief van 6 mei 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat het bestreden besluit is ingetrokken en dat opnieuw op het bezwaar van eiseres 1 en eiseres 2 zal worden beslist. De minister heeft aangeboden de kosten voor verleende rechtsbijstand te vergoeden tot een bedrag van € 934,-.
1.3.
Bij brief van 11 mei 2026 is namens eiseres 1 en eiseres 2 gesteld dat zij het beroep handhaven omdat het aanbod van de minister ter zake van de vergoeding van de proceskosten niet ziet op de gemaakte kosten voor het DNA-onderzoek.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiseres 1 en eiseres 2 en de minister deelgenomen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Referent is naar Nederland gekomen en heeft op 5 december 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Eiseres 1 is geboren op 1 juli 1967 en stelt de moeder van referent te zijn. Eiseres 2 is geboren op 1 juli 2006 en stelt de zus van referent te zijn. Eiseres 1 en eiseres 2 wonen op dit moment samen in Addis Abeba in Ethiopië. Op 15 februari 2023 is onderhavige mvv-aanvraag gedaan door eiseres 1 en eiseres 2.
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag van eiseres 1 afgewezen, omdat volgens hem de familierechtelijke relatie en de feitelijke gezinsband niet aannemelijk zijn gemaakt. De minister heeft de aanvraag van eiseres 2 afgewezen, omdat de identiteit, de familierechtelijke relatie en de feitelijke gezinsband niet aannemelijk zijn gemaakt. Om deze redenen is de minister niet toegekomen aan het beoordelen van het gezinsleven in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen eiseres 1, eiseres 2 en referent.
Het geschil, het toetsingskader en de standpunten
4.
In geschil is uitsluitend de vraag of de minister gehouden is de kosten voor het door eisers 1 en eiseres 2 geïnitieerde DNA-onderzoek te vergoeden.
5. In artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is – voor zover hier van belang – bepaald dat de rechtbank bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
6.
Eiseres 1 verzoekt om vergoeding van de kosten voor het DNA-onderzoek en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zij stelt dat de minister de kosten moet vergoeden omdat reeds in bezwaar, maar ook in beroep is gewezen op de noodzaak van het onderzoek en nu blijkt dat de uitkomst ervan voor de minister reden is om het bestreden besluit in te trekken. Eiseres 1 leidt uit de intrekking van het bestreden besluit af dat het besluit onrechtmatig was. Gelet op het aanbod van de minister om de kosten voor verleende rechtsbijstand te vergoeden meent de minister kennelijk dat sprake is van een tegemoetkoming en dat het beroep kan worden ingetrokken. Eiseres 1 meent dat zij in dat geval recht heeft op vergoeding van alle kosten, waaronder de kosten van het DNA-onderzoek (à € 995,-) dat zij heeft laten verrichten.
7.
De minister heeft ter zitting bevestigd dat het bestreden besluit is ingetrokken omdat het DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat eiseres 1 en referent werkelijk familie van elkaar zijn (moeder en zoon). Het standpunt in het bestreden besluit dat tussen hen de familierechtelijke relatie niet aannemelijk is gemaakt, is dan ook niet langer houdbaar. De minister is evenwel van mening dat de kosten van het DNA-onderzoek niet vergoed hoeven te worden. In het bestreden besluit is uiteengezet dat er gelet op de tegenstrijdigheden en de niet onderbouwde gestelde psychische problemen van eiseres 1 geen nader onderzoek is aangeboden. Deze reden blijft wat de minister betreft staan en de kosten van het DNA-onderzoek zijn dan ook geen proceskosten. Gelet op de uitslag van het DNA-onderzoek is het bestreden besluit ingetrokken en zal er opnieuw worden beslist, maar dat maakt niet dat het bestreden besluit onrechtmatig was.
Wat vindt de rechtbank?8. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de minister heeft aangeboden de kosten voor rechtsbijstand te vergoeden op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat de minister daarmee ook gehouden is de andere door eiseres 1 gemaakte proceskosten te vergoeden. Bij de vergoeding van de kosten kan immers onderscheid gemaakt worden naar de reden waarom ze zijn gemaakt. Gelet op de bewoordingen van artikel 7:28, tweede lid, van de Awb komen kosten voor vergoeding in aanmerking indien het kosten zijn die de betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken (en) voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
9.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat een veroordeling in de proceskosten een bevoegdheid van de rechtbank is en geen verplichting. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient een verzoek om proceskosten in beginsel te worden ingewilligd op grond van de enkele tegemoetkoming. [2] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt als het bestuursorgaan, zonder dat tot een beoordeling van de zaak ten gronde hoeft te worden gekomen, aantoont dat van verwijtbare onrechtmatigheid van het in bezwaar bestreden primaire besluit geen sprake is en indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit kan het geval zijn als de noodzaak beroep in te stellen was te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf, doordat een verkeerd besluit is genomen omdat betrokkene zelf onjuiste informatie heeft verstrekt dan wel dit niet of te laat heeft gedaan. [3]
10.
De rechtbank begrijpt dat de minister heeft bedoeld te betogen dat in dit geval geen sprake is van een aan hem verwijtbaar onrechtmatig (primair) besluit. De rechtbank volgt de minister hierin. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. Niet in geschil is dat sprake is van zeer tegenstrijdige verklaringen en dat de gestelde psychische problemen van eiseres 1 niet zijn onderbouwd. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat dit een contra-indicatie was om DNA-onderzoek aan te bieden. Eiseres 1 en eiseres 2 hebben in bezwaar gesteld dat het noodzakelijk is dat de minister DNA-onderzoek laat verrichten. De minister heeft dat niet gedaan, gelet op onder meer de eerder aangehaalde contra-indicatie. De minister heeft daarmee niet in strijd gehandeld met de Werkinstructie 2025/5, waarin immers ook is bepaald dat DNA-onderzoek kan (facultatief) worden aangeboden.
11. Vervolgens heeft eiseres 1 de minister gedurende de onderhavige procedure laten weten dat zij voornemens was zelf een DNA-onderzoek te laten uitvoeren. De resultaten van dat DNA-onderzoek zijn in de aanvullende beroepsgronden duidelijk geworden. De gevolgen hiervan, namelijk dat de minister het bestreden besluit als gevolg van een door eiseres 1 veroorzaakt fait accompli heeft moeten intrekken, komen onder die omstandigheden voor rekening en risico van eiseres 1.
Conclusie12. Het beroep is gegrond omdat de minister het bestreden besluit heeft ingetrokken. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten van het DNA-onderzoek en zal het verzoek om vergoeding van die kosten afwijzen. Alleen de reeds door de minister aangeboden kosten voor rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking, te vermeerderen met 1 punt voor het bijwonen van de zitting.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres 1 moet vergoeden tot een bedrag van € 1.868,-;
  • wijst voor al het overige het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr.Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 juli 2005, LJN: AT9764.
3.Zie de uitspraken van de CRvB van 28 oktober 1997, LJN: ZF3359 en 21 januari 1998,