ECLI:NL:RBDHA:2026:14994

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27608
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 15 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 26 mei 2026 via een beeldverbinding.

De minister baseerde de maatregel op zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van de vertrekplicht. Eiser betwistte enkele gronden, maar de rechtbank oordeelde dat de onbetwiste gronden voldoende waren om het risico van onttrekking aan toezicht aan te nemen. De minister motiveerde ook waarom een lichter middel, zoals een meldplicht, niet volstond, mede vanwege het eerdere terugkeren van eiser na uitzetting en zijn verklaring tijdens het gehoor.

Eiser trok een beroepsgrond in tijdens de zitting, waardoor deze niet inhoudelijk werd besproken. De rechtbank vond geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen en concludeerde dat de minister aan zijn informatieplicht had voldaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27608

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft de zware gronden 3a en 3i en de lichte grond 4c betwist. De onbetwiste zware gronden 3b en 3c kunnen de maatregel echter al dragen. Deze gronden kunnen de maatregel dragen, omdat zij feitelijk juist zijn. [1] Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de zware gronden 3a en 3i en de lichte grond 4c kan daaraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij niet volstaat met een lichter middel?
2. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder dat hij bij familie in Nederland kan verblijven, een echtgenote en kind in Duitsland heeft en bereid is zelfstandig uit Nederland te vertrekken. Eiser voert aan dat de minister geen concrete individuele belangenafweging heeft gemaakt en heeft volstaan met standaardoverwegingen.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister wijst daarbij terecht op de onbetwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Daarnaast heeft de minister terecht betrokken dat eiser al eerder naar Nederland is teruggekeerd nadat hij was uitgezet. De enkele omstandigheid dat eiser in Nederland bij familie kan verblijven en een echtgenote en kind in Duitsland heeft, maakt niet dat de minister van het opleggen van de maatregel van bewaring had moeten afzien. Dat eiser aanvoert bereid te zijn zelfstandig te vertrekken, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft daarbij van belang mogen achten dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard naar Duitsland te willen gaan en opnieuw naar Nederland te zullen komen indien hij gedwongen wordt uitgezet. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldaan aan de informatieplicht?
3. Eiser heeft deze beroepsgrond op de zitting ingetrokken. Een inhoudelijke bespreking is daarom niet meer nodig.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 20 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).