ECLI:NL:RBDHA:2026:1500
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewaring van een Algerijnse vreemdeling en de rechtmatigheid van de maatregel
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling, eiser, opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel van bewaring is op 10 november 2025 opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel. Tijdens de zitting op 23 januari 2026, die via telehoren plaatsvond, zijn zowel eiser als zijn gemachtigde alsook een tolk aanwezig geweest. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft overwogen dat de maatregel van bewaring eerder is getoetst en dat deze tot het sluiten van het onderzoek in de vorige zaak rechtmatig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sinds het sluiten van dat onderzoek op 28 november 2025 voldoende voortgang is geboekt door de minister, die twee vertrekgesprekken heeft gevoerd en schriftelijk heeft gereageerd op de lp-aanvraag van eiser. Eiser heeft echter niet aangetoond dat zijn medische problemen hem detentieongeschikt maken en heeft geen pogingen ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit te bevestigen.
De rechtbank concludeert dat er geen redelijk zicht is op uitzetting naar Algerije, maar dat de minister voldoende stappen heeft ondernomen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, en openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.