Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15012

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19948
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure wegens Dublinverantwoordelijkheid Duitsland

Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen vanwege de Dublinverantwoordelijkheid van Duitsland. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening zonder zitting behandeld en gewezen op de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.19759) die gelijktijdig is gedaan. Gezien deze uitspraak achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.

Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager en griffier B. Biyikli en is zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld en Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19948

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.19759, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van B. Biyikli, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.