Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15034

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.23910
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht aan België in Dublinprocedure voor alleenstaande vrouw en minderjarige kinderen

Verzoekster, een alleenstaande vrouw, heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overweegt dat de rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van alleenstaande vrouwen nog door een meervoudige kamer moet worden behandeld. Omdat de termijn voor die uitspraak onbekend is, is het niet wenselijk om de voorlopige voorzieningprocedure te staken in afwachting daarvan.

De voorzieningenrechter weegt de belangen en concludeert dat het toewijzen van de voorlopige voorziening niet ingrijpend is, omdat het slechts inhoudt dat verzoekster en haar minderjarige kinderen in Nederland kunnen blijven totdat op het beroep is beslist. Het niet toewijzen zou kunnen leiden tot overdracht aan België met mogelijk onomkeerbare gevolgen.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het bestreden besluit geschorst en de overdracht aan België verboden totdat het beroep is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan België geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23910

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer 1], verzoekster,

mede namens haar minderjarige kinderen:
[naam kind 1], v-nummer: [nummer 2]
[naam kind 2], v-nummer: [nummer 3]
[naam kind 3], v-nummer: [nummer 4]
[naam kind 4], v-nummer: [nummer 5]
[naam kind 5], v-nummer: [nummer 6],
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Bij besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. In geschil is onder meer of ten aanzien van België nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor alleenstaande vrouwen. Deze rechtsvraag zal worden behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. Die uitspraak moet worden afgewacht, voordat op het beroep van verzoekster kan worden beslist. Het is niet bekend wanneer deze uitspraak wordt gedaan, zodat het gelet op de termijnen niet wenselijk is om in deze voorlopige voorzieningprocedure de uitspraak af te wachten.
4. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot een afweging van de belangen van verzoekster en de minister in het kader van de gevraagde voorlopige voorziening. Toewijzing van het verzoek acht de voorzieningenrechter niet zeer ingrijpend. Deze gevraagde voorziening houdt alleen in dat verzoekster de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten. Dat is niets meer dan het in stand laten van de huidige situatie. Het niet treffen van de voorziening zou aan de andere kant betekenen dat verzoekster aan België wordt overgedragen. Niet is uitgesloten dat dit onomkeerbare gevolgen voor verzoekster kan hebben. Onder deze omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoekster om de beslissing op haar beroep in Nederland af te mogen wachten doorslaggevend gewicht toe.
5. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster en haar minderjarige kinderen niet mogen worden overgedragen aan België totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster en haar minderjarige kinderen niet mogen worden overgedragen aan België totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.