ECLI:NL:RBDHA:2026:15040
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen verblijfsvergunning
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 25 november 2024 en moest in beginsel binnen zes maanden beslissen. Vanwege een besluitmoratorium voor Syrië is de beslistermijn verlengd met één jaar, waardoor de uiterste beslisdatum op 25 mei 2026 ligt.
Eiser stelde de minister op 14 januari 2026 in gebreke, maar de rechtbank oordeelt dat deze ingebrekestelling te vroeg is ingediend omdat de beslistermijn toen nog niet was verstreken. Daarnaast is vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, mede gelet op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Italië.
De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M. Eradus op 15 april 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling.