Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15047

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
09/319954-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Integrale vrijspraak opzetverkrachting, poging en diefstal met geweld

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte, geboren in 2007, over vermeende opzetverkrachting, poging daartoe en diefstal met geweld op 5 november 2025 te Alphen aan den Rijn. De tenlastelegging omvatte diverse seksuele handelingen tegen de wil van het slachtoffer, gebruik van geweld en bedreiging met een mes, alsmede diefstal van een mobiele telefoon onder bedreiging.

Tijdens de inhoudelijke behandeling op 21 mei 2026 heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte veroordeeld wordt tot jeugddetentie en taakstraf, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. De rechtbank oordeelde dat hoewel er aanwijzingen zijn dat verdachte over de grenzen van het slachtoffer is gegaan, er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om de feiten bewezen te verklaren. Dit vanwege tegenstrijdigheden in verklaringen, twijfel over het letsel en het ontbreken van ondersteunend bewijs.

Ook de diefstal met geweld kon niet wettig en overtuigend worden bewezen, mede door het ontbreken van bewijs voor het tonen van een mes en het gebruik van excessief geweld. De rechtbank sprak verdachte daarom integraal vrij van alle ten laste gelegde feiten.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De kosten werden ieder voor eigen rekening genomen. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt integraal vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09/319954-25
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzittingen van 9 maart 2026 (pro forma) en 21 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. D. Kortekaas en de raadsman van de verdachte is mr. L. Tricoli. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Alphen aan den Rijn, met een persoon, te weten [aangeefster], een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het betasten van de borsten en/of de billen en/of de penis van die [aangeefster] en/of het likken aan de borsten van die [aangeefster] en/of
- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [aangeefster] en/of het (vervolgens) klaarkomen in de mond van die [aangeefster] en/of
- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de anus van die [aangeefster],
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [aangeefster] (meermalen) tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of in de borst te knijpen en/of tegen het lichaam te schoppen;
2
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Alphen aan den Rijn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [aangeefster], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak, en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,
- zijn, verdachtes, penis tegen de anus en/of tussen de billen van die [aangeefster] heeft gebracht en/of gehouden en/of heen en weer bewogen en/of
- die [aangeefster] (meermalen) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of in de borst heeft geknepen en/of tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Alphen aan den Rijn, een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangeefster], in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangeefster], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een mes te tonen aan die [aangeefster] en/of
- die [aangeefster] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of in de borst te knijpen en/of tegen het lichaam te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 november 2025 te Alphen aan den Rijn, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld, [aangeefster] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangeefster] en/of een derde toebehoorde(n), door
- een mes te tonen aan die [aangeefster] en/of
- die [aangeefster] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of in de borst te knijpen en/of tegen het lichaam te schoppen.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van het onder feit 3 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 250 dagen, waarvan 141 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht met een proeftijd van 2 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod (zonder elektronisch toezicht) en dagbesteding, alsmede een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbepaalde arbeid, voor de tijd van 90 uren, subsidiair 45 dagen vervangende jeugddetentie.
De officier van justitie heeft tevens geconcludeerd tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit.
3.3
Vrijspraak
Het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2
Toetsingskader
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Ingeval de vermeende dader ontkent, dient de rechter allereerst te beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat zowel verdachte als aangeefster verklaren dat er verschillende seksuele handelingen tussen hen hebben plaatsgevonden op 5 november 2025. Aangeefster heeft verklaard dat deze seksuele handelingen tegen haar wil in hebben plaatsgevonden en dat de verdachte tijdens deze seksuele handelingen hevig geweld jegens haar heeft gebruikt. Anders dan aangeefster heeft de verdachte verklaard dat er geen sprake is geweest van geweld vanuit hem richting de aangeefster en dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden.
Op basis van het dossier overweegt de rechtbank dat er sterke aanwijzingen bestaan dat de verdachte over de grenzen van aangeefster is gegaan, onder meer gelet op de emoties die door getuige [getuige], woonbegeleider bij het COA van het AZC, vlak na het incident bij aangeefster zijn waargenomen. Zo heeft hij verklaard dat aangeefster ‘behoorlijk overstuur’ was. De rechtbank overweegt dat aangeefster van het begin af aan gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden en dat zij ook andere details over de verdachte kon noemen, zoals dat de verdachte iets tussen zijn tand en lip leek te smeren. Daarentegen heeft de verdachte wisselend verklaard en heeft hij zijn verklaringen meermaals bijgesteld, waarbij er bij de rechtbank de indruk is ontstaan dat de verdachte daarbij berekenend te werk is gegaan. Dat de verdachte na afloop van de afspraak wegrent, is volgens de rechtbank – ook met inachtneming van zijn uitleg daarover, inhoudende dat aangeefster meer seksuele handelingen wilde en hem vastpakte en hij weg wilde komen –merkwaardig te noemen.
Hier staat tegenover dat de rechtbank meerdere aanknopingspunten in het dossier ziet die aanleiding geven tot twijfel over de vraag of hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ten eerste is de rechtbank van oordeel dat de kleur van de bloeduitstortingen op de borsten van aangeefster vragen oproept, gelet op de verklaring en uitleg van de forensisch arts die op 6 november 2025 het forensisch medisch onderzoek bij aangeefster heeft uitgevoerd. Hij geeft allereerst aan dat uit de wetenschappelijke literatuur volgt dat bij gele verkleuringen de bloeduitstorting minstens 18-24 uur oud is. Hij concludeert vervolgens dat het tijdsbestek tussen het incident (dat volgens aangeefster tussen 19.00 uur en 19.30 uur heeft plaats gevonden) en het forensisch zedenonderzoek (van enkele uren later om 01.30 uur), aan de zeer korte kant is voor een verkleuring van blauwe plekken naar duidelijk geel, zoals bij aangeefster. Hoewel de mogelijkheid niet kan worden uitgesloten, acht de forensisch arts het onwaarschijnlijker dat de op de foto’s zichtbare gele plekken op de borst van aangeefster het gevolg zijn geweest van het door aangeefster beschreven geweld.
Ten tweede is er bij aangeefster geen ander letsel waargenomen, terwijl zij heeft verklaard meermaals hard te zijn geslagen en geschopt door de verdachte. Het excessieve geweld dat volgens aangeefster zou zijn gebruikt, wordt ook verder niet ondersteund in het dossier. Bovendien heeft aangeefster in eerste instantie bij de politie verklaard dat zij door de verdachte zou zijn bedreigd met een mes, waarna zij tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris (op de herhaaldelijk gestelde vraag waardoor de aangeefster zich bedreigd voelde) niet meer over een mes heeft gesproken, ook niet nadat expliciet is doorgevraagd naar de vorm van de bedreiging. Naar het oordeel van de rechtbank roept dat vraagtekens op, nu een bedreiging met een mes dermate veel indruk maakt op een persoon, dat dit geen detail is dat gemakkelijk wordt vergeten. Ook heeft aangeefster verklaard dat zij na afloop van het incident (door de harde trap van verdachte) dermate veel pijn in haar been voelde dat zij daardoor niet goed en niet recht kon lopen. Dit ziet de rechtbank niet terug op de camerabeelden en wordt ook niet ondersteund door enig letsel aan haar been.
Gelet op de vragen die deze punten bij de rechtbank oproepen en het ontbreken van nadere aanknopingspunten in het dossier, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2 heeft begaan. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Het ten laste gelegde onder feit 3
Aangeefster heeft op 7 november 2025 tevens aangifte gedaan van diefstal met (bedreiging met) geweld dan wel afpersing, waarbij de verdachte haar mobiele telefoon zou hebben weggenomen onder bedreiging van een mes.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal met geweld niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Zoals hiervoor is overwogen, bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen, althans onvoldoende aanknopingspunten voor de ten laste gelegde handelingen met betrekking tot het tonen van een mes en het door de verdachte gebruikte excessieve geweld jegens aangeefster. De verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van de onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde afpersing.
Conclusie
Dit leidt ertoe dat de verdachte integraal wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

4.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster], ter terechtzitting bijgestaan door mr. R.G. van der Laan, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 8.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van € 2.500,-, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
De rechtbank zal de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, voorzitter,
mr. R. Wieringa, rechter,
en mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mrs. E. Assies en V.K.M. Hanssen, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2026.