Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
hij, in of omstreeks de periode van 7 maart 2024 tot en met 5 september 2025 te Naaldwijk, gemeente Westland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
hij op of omstreeks 5 september 2025 te Naaldwijk, gemeente Westland opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 286,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3.De bewijsbeslissing
bijlage I) opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
5 maart 2025tot en met 5 september 2025 te Naaldwijk, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
285,4 gramcocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
- een meldplicht bij de reclassering;
- een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;
- een verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang,
- een contactverbod met de medeverdachte; en
- een zinvolle dagbesteding.
7.De toepasselijke wetsartikelen
8. De beslissing
245 (tweehonderdvijfenveertig) DAGEN;
groot 60 (zestig) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jaren vastgestelde proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
40 (veertig) UREN;
20 (twintig) DAGEN;