ECLI:NL:RBDHA:2026:15085

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28636
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P. Bruins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitECLI:EU:C:2026:148
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 23 april 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Algerijnse nationaliteit, voerde meerdere beroepsgronden aan tegen deze maatregel, waaronder de toepassing van het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de plaatsing in het detentiecentrum binnen 24 uur, en het vermeende gebrek aan voortvarendheid bij de uitzettingsprocedure.

De rechtbank oordeelde dat het zesmaandencriterium uit het arrest Aroja niet van toepassing is omdat eiser in totaal 56 dagen in bewaring zat ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit. De plaatsing in het detentiecentrum was tijdig omdat eiser reeds in bewaring was op een andere grondslag. De minister handelde voortvarend, getuige het vertrekgesprek en de aanvraag van een laissez-passer. Hoewel eiser niet voorafgaand aan de maatregel is gehoord, was de minister voldoende in de gelegenheid gesteld om hem te horen, en eiser weigerde dit.

De rechtbank stelde ambtshalve vast dat de gronden voor bewaring, op één niet-gemotiveerde uitzondering na, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. De maatregel was niet onrechtmatig en het beroep werd ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28636

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van het beroep. Eiser heeft op 28 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. De minister heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift ingezonden.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 1 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004.
Arrest Aroja
2. Eiser voert aan dat onduidelijk is of het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 maart 2026 (Aroja [1] ) relevant is in deze zaak. De minister dient hierover duidelijkheid te verschaffen volgens eiser.
3. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Aroja heeft het Hof – kort samengevat – geoordeeld dat, indien een vreemdeling langer dan zes maanden ter uitvoering van éénzelfde terugkeerbesluit in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, deze maatregel slechts rechtmatig kan voortduren als de minister een verlengingsbesluit heeft genomen.
Ten aanzien van eiser is op 8 april 2025 een terugkeerbesluit genomen. Uit het verweerschrift van de minister volgt dat eiser eerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring heeft gezeten van 28 augustus 2025 tot en met 11 september 2025, dus totaal 15 dagen. Op dit moment zit eiser ook op deze grondslag in bewaring sinds 23 april 2026. Op de dag van sluiting van het onderzoek in deze beroepsprocedure duurt de huidige maatregel 41 dagen. De perioden van eventuele maatregelen van bewaring op andere grondslagen worden niet meegerekend, omdat deze perioden niet zien op de uitvoering van een terugkeerbesluit. Eiser heeft dus op het moment van sluiting van het onderzoek in deze beroepsprocedure in totaal 56 dagen in bewaring gezeten ter uitvoering van het terugkeerbesluit van 8 april 2025. De rechtbank is daarom van oordeel dat het zesmaandencriterium uit het arrest Aroja op dit moment niet van toepassing is in deze zaak. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat grond 3e in de maatregel niet is gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat de overige zware gronden en alle lichte gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Plaatsing in het detentiecentrum
6. Eiser voert aan dat onduidelijk is of hij binnen 24 uur na de inbewaringstelling is geplaatst in het detentiecentrum [plaats] . Indien de minister onvoldoende duidelijkheid verschaft inzake het bovenstaande, acht eiser het opleggen dan wel het voortduren van de maatregel onrechtmatig.
7. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat eiser ten tijde van het opleggen van onderhavige maatregel reeds in bewaring zat op een andere wettelijke grondslag. Eiser bevond zich op dat moment al in het detentiecentrum. Daarom is bij onderhavige maatregel geen sprake van overschrijding van de termijn waarbinnen eiser diende te worden overgeplaatst naar een detentiecentrum. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
8. Eiser stelt dat uit de uitzettingshandelingen na de inbewaringstelling niet blijkt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
9. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser is op 23 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Op 23 april 2026 stond een vertrekgesprek met eiser gepland, maar hij is daarbij niet verschenen. Op 4 mei 2026 is wel een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarbij liep al een aanvraag voor een laissez-passer sinds 2 september 2025. Deze handelingen zijn volgens de rechtbank voldoende voor het oordeel dat de minister niet onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser niet is gehoord voorafgaand aan de oplegging van de maatregel. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 23 april 2026 blijkt dat eiser daarvoor is opgeroepen en dat de minister hem daarbij in de gelegenheid wilde stellen om omstandigheden naar voren te brengen naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Eiser wilde echter niet met de Dienst Terugkeer en Vertrek spreken en is niet verschenen. Eiser is ook niet verplicht om op een gesprek te verschijnen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de minister zich voldoende heeft ingespannen om eiser voorafgaand aan het opleggen van deze maatregel te horen en op goede gronden heeft mogen aannemen dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn sinds het gehoor voorafgaand aan de eerdere inbewaringstelling op 16 april 2026 naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. De minister heeft eiser daarom naar het oordeel van de rechtbank in bewaring mogen stellen zonder hem daaraan voorafgaand te horen.
11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij overigens gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2026:148.