ECLI:NL:RBDHA:2026:15088
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroeg ingesteld beroep op niet tijdig beslissen verblijfsvergunning asiel
Eisers hebben op 16 juli 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft vervolgens op 16 oktober 2025 een verzoek tot overdracht van de asielaanvragen aan Frankrijk gedaan, dat op 17 december 2025 werd geaccepteerd. Nederland had vanaf 18 december 2025 zes maanden de tijd om de overdracht te effectueren. Op 12 maart 2026 trok de minister de verzoeken in, waardoor Nederland verantwoordelijk bleef voor de behandeling van de aanvragen en de beslistermijn van zes maanden vanaf die datum ging lopen.
Eisers hebben hun beroep ingesteld voordat deze beslistermijn was verstreken, namelijk vóór 12 september 2026. De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is omdat niet is voldaan aan de vereiste ingebrekestelling en het verstrijken van de beslistermijn. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 29 mei 2026. Eisers wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het te vroeg is ingesteld vóór het verstrijken van de beslistermijn.