Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15121

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28846
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 94 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel bewaring wegens niet tijdig horen vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, op 8 mei 2026 een maatregel van bewaring op. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank hield op 5 juni 2026 een telehoorzitting waarbij eiser niet kon worden gehoord vanwege een defecte videoverbinding met het detentiecentrum Rotterdam.

Volgens artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moet een vreemdeling binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift worden gehoord. Het beroepschrift werd op 22 mei 2026 ontvangen, waardoor de termijn eindigde op 5 juni 2026. Door het ontbreken van de videoverbinding kon eiser niet worden gehoord binnen deze termijn, waardoor de maatregel van bewaring onrechtmatig werd geacht.

De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was om de maatregel eerder op te heffen dan de dag van de zitting. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar de minister werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,-, te betalen aan de rechtsbijstandsverlener vanwege de verleende toevoeging.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de maatregel van bewaring wordt opgeheven en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28846

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 8 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een (telehoor)zitting op 5 juni 2026 om 10:00 uur. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. Door een probleem met de videoverbinding in detentiecentrum Rotterdam is eiser niet verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling van de rechtbank

2. Gelet op artikel 94, vierde lid, van de Vw, moet een vreemdeling op de veertiende dag na de ontvangst van het beroepschrift worden gehoord. Het beroepschrift is op 22 mei 2026 ingediend en ontvangen. De termijn voor het horen op zitting eindigt daarom op vrijdag 5 juni 2026.
3. Op de zitting bleek dat er vanuit het detentiecentrum Rotterdam geen videoverbinding tot stand kon worden gebracht. Dit is besproken met partijen, waarbij is aangegeven dat tijdens een schorsing alsnog geprobeerd zou worden een verbinding tot stand te brengen. De gemachtigde van eiser heeft wegens een andere afspraak om 11:00 uur de rechtbank verlaten. Uiteindelijk bleek na veelvuldig contact tussen de rechtbank en het detentiecentrum dat vandaag geen videoverbinding tot stand gebracht zal kunnen worden. Het staat dan ook vast dat eiser vandaag niet gehoord kan worden en de onder 2. genoemde termijn niet gehaald wordt. Hieruit volgt dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag onrechtmatig moet worden geacht.
4. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel op een eerder moment dan vandaag opgeheven had moeten worden. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding.
5. De rechtbank veroordeelt de minister wel in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenveroordeling betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.