ECLI:NL:RBDHA:2026:15127
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond tegen proceskostenvergoeding bij opvolgend beroep asielaanvraag
Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 27 maart 2026, waarin de rechtbank het beroep van opposant tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag gegrond heeft verklaard. De rechtbank had de proceskostenvergoeding vastgesteld met een wegingsfactor van 0,25 in plaats van de gebruikelijke 0,5, vanwege de beperkte omvang van werkzaamheden bij een opvolgend beroep.
De rechtbank heeft het verzet op 8 mei 2026 behandeld, waarbij opposant zich had afgemeld. De verzetsrechter beoordeelt uitsluitend of de eerdere uitspraak kennelijk juist was en of redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over de uitkomst. De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is, omdat de lagere wegingsfactor terecht is toegepast gezien de beperkte werkzaamheden bij een opvolgend beroep.
De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie en overwegingen van de meervoudige kamer te Arnhem, waarin is vastgesteld dat bij opvolgende beroepen tegen niet tijdig beslissen eerdere vaststellingen kunnen worden hergebruikt en slechts eenvoudige proceshandelingen nodig zijn. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in het verzet. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet tegen de proceskostenvergoeding bij het opvolgend beroep asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.