Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.12755
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen vereenvoudigde behandeling in bestuursrechtelijke asielzaak ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 3 april 2026, waarin de rechtbank het beroep van opposant tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaarde en een proceskostenvergoeding vaststelde met een wegingsfactor van 0,25.

De rechtbank heeft het verzet op 8 mei 2026 behandeld, waarbij opposant afwezig was. De rechtbank beoordeelt uitsluitend of de eerdere uitspraak terecht is gedaan en of de vereenvoudigde behandeling passend was. De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is omdat de eerdere beslissing kennelijk juist was.

De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de werkzaamheden bij een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen beperkt zijn, waardoor een lagere wegingsfactor voor proceskostenvergoeding passend is. Het verzet richtte zich ook op de proceskostenveroordeling, maar ook daarvoor is geen aanleiding.

De uitspraak is gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier A.W. Landman en is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open volgens artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het verzet tegen de vereenvoudigde behandeling en de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12755 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 april 2026 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 3 april 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft K.J. Diender namens verweerder deelgenomen. Opposant heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 3 april 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de proceskostenvergoeding op 0,25 is gezet in plaats van de gebruikelijke 0,5. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. In de uitspraak van 1 oktober 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats, het beroep van opposant tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. [2] De minister moest uiterlijk zestien weken na de uitspraak alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Opposant heeft voor de tweede keer beroep ingesteld, omdat er nog geen besluit was genomen op zijn asielaanvraag van 19 april 2024.
De uitspraak van 3 april 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat is toegestaan wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is verstreken. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. [3]
Beoordeling verzet
6. De verzetsmogelijkheid strekt er uitsluitend toe te beoordelen of de bestuursrechter terecht tot een vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Daarbij staat alleen ter beoordeling of de eerdere uitspraak kennelijk juist was. De verzetsrechter beoordeelt dus niet opnieuw de zaak in volle omgang, maar uitsluitend of redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over de uitkomst van de eerdere beslissing. Het verzet kan zich ook richten tegen nevenuitspraken, zoals over de proceskostenveroordeling. [4]
7. In hetgeen opposant heeft aangevoerd ziet de verzetsrechter geen aanleiding om te twijfelen over de kennelijke uitkomst. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de overwegingen in de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 1 december 2025, terecht geoordeeld dat de werkzaamheden bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen zeer beperkt zijn, omdat eerdere vaststellingen kunnen worden hergebruikt en slechts eenvoudige proceshandelingen nodig zijn. [5]

Conclusie en gevolgen

8. Het verzet is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.NL25.27908
3.Rb 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665 (r.o. 6.2).
4.Borman, in: T&C Algemene wet bestuursrecht, art. 8:55, aant. 2a, blz. 832.
5.Rb 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665.