ECLI:NL:RBDHA:2026:1516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL25.26761
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroep

Verzoeker heeft bij besluit van 11 juni 2025 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Hiertegen maakte hij bezwaar, waarna de minister op 30 juli 2025 het bezwaar afwees. Verzoeker stelde vervolgens beroep in op 1 augustus 2025, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening werd omgezet naar een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 januari 2026, waarbij de gemachtigde van verzoeker aanwezig was, maar de minister zich afmeldde. Op 16 januari 2026 verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, waardoor er geen beroep meer aanhangig was.

Omdat op dat moment niet meer werd voldaan aan het vereiste van connexiteit zoals neergelegd in artikel 8:81 Awb Pro, werd het verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker kreeg het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aanhangig beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26761

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Bij besluit van 11 juni 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op 30 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker beslist (het bestreden besluit). Op 1 augustus 2025 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer: NL25.35586), waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is omgeklapt naar een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verzoeker deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een voorlopige voorziening alleen worden verzocht zolang er bezwaar of beroep aanhangig is (connexiteitsvereiste).
2.1.
De rechtbank heeft op 16 januari 2026 uitspraak gedaan op het beroep van verzoeker en dit niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee is er geen beroep meer aanhangig. Nu niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van Pro de Awb neerlegede vereiste van connexiteit, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.