Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15246

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/09/699659 / FA RK 26-1530
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen kinderalimentatie na verzoek tot echtscheiding

Partijen zijn gehuwd en ouders van een minderjarige met gezamenlijk ouderlijk gezag. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend en verzoekt voorlopige kinderalimentatie van €197 per maand, terwijl de man een tegenverzoek indient voor €97 per maand. De rechtbank beoordeelt de verzoeken op basis van Nederlands recht en de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen 2026.

De draagkracht van de man wordt berekend op €210 per maand na correctie voor een onderhoudsbijdrage aan zijn dochter in Kaapverdië. De draagkracht van de vrouw wordt vastgesteld op €483 per maand, rekening houdend met een gedeeltelijke bijdrage aan een jongmeerderjarige dochter die deels zelfvoorzienend is. De gezamenlijke draagkracht van €693 is onvoldoende om volledig in de behoefte van de minderjarige van €743 te voorzien, waardoor een tekort van €50 ontstaat.

Met een zorgkorting van 15% (€111) en de verdeling van het tekort over beide partijen, bepaalt de rechtbank de voorlopige kinderalimentatie die de man aan de vrouw moet betalen op €124 per maand, ingaande 1 april 2026. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en uitgesproken op 7 mei 2026.

Uitkomst: De man moet vanaf 1 april 2026 een voorlopige kinderalimentatie van €124 per maand betalen aan de vrouw.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1530
Zaaknummer: C/09/699659
Datum beschikking: 7 mei 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 16 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Alkilic te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Bhulai te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man.
Op 16 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door een tolk, te weten J.M. van der Boom.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2019 te [plaats] .
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
  • De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
  • De vrouw en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Kaapverdische nationaliteit.
  • De vrouw heeft op 6 november 2025 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, dat onder zaak- en rekestnummer C/09/694244 / FA RK 25-8414 in behandeling is.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 197,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 april 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig dat een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 97,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 april 2026, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe om de wederzijdse verzoeken te beoordelen. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2026 (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De door de rechtbank gemaakte berekeningen worden aan deze beschikking gehecht.
- ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen. De ingangsdatum is tussen partijen niet in geschil. Partijen zijn het erover eens dat als ingangsdatum 1 april 2026 geldt, zodat de rechtbank die datum als ingangsdatum zal hanteren.
- behoefte van [de minderjarige]
Om te berekenen welke bijdrage elk van de ouders moet leveren in de kosten van [de minderjarige] , moet eerst worden bepaald wat de kosten van [de minderjarige] zijn (de behoefte). De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen niet in geschil. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] in 2026 € 743,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank die behoefte zal vaststellen.
- draagkracht man
Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 34.394,- bruto per jaar, zoals is opgenomen als ‘fiscaal loon’ op de loonstrook van december 2025.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2026 op € 2.532,-per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank – conform de aanbevelingen van het rapport – voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan in beginsel: 70% x [2.532 – (760 + 1.365)] = € 285,- per maand.
De man heeft nog een dochter voor wie hij onderhoudsplichtig is. Zijn dochter woont in Kaapverdië bij haar moeder. De man stelt dat hij maandelijks € 100,- bijdraagt om in het levensonderhoud van zijn dochter te voorzien. De vrouw voert verweer en stelt dat de man maandelijks € 75,- overmaakt om in het levensonderhoud van zijn dochter te voorzien.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft op de zitting gezegd dat de bijdrage die hij maandelijks overboekt naar Kaapverdië het gezin van de moeder van zijn dochter ten goede komt. In dat kader gaat de rechtbank ervan uit dat de bijdrage die man maandelijks overmaakt aan de moeder van zijn dochter ook wordt gebruikt om in het levensonderhoud van de moeder en haar andere kind te voorzien. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om de draagkracht van de man te verlagen met een bedrag van € 75,- per maand. Hierdoor is er voor [de minderjarige] een draagkracht van € 210,- per maand beschikbaar.
- draagkracht vrouw
Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 38.357,- bruto per jaar, zoals is opgenomen als ‘fiscaal loon’ op de loonstrook van december 2025.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 3.427,-per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht eveneens de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan in beginsel: 70% x [3.427 – (1.028 + 1.365)] = € 724,- per maand.
De vrouw heeft nog een jongmeerderjarige dochter (hierna: de jongmeerderjarige). De vrouw stelt dat de jongmeerderjarige behoeftig is en dat de vader van de jongmeerderjarige geen bijdrage levert in haar levensonderhoud. Volgens de vrouw moet haar draagkracht dan ook evenredig worden verdeeld over [de minderjarige] en de jongmeerderjarige. De man voert verweer. Hij merkt op dat de jongmeerderjarige (gedeeltelijk) kan voorzien in haar eigen levensonderhoud doordat zij werkt en studiefinanciering ontvangt. Daarnaast heeft de vader van de jongmeerderjarige inmiddels een goede baan.
De rechtbank overweegt dat zij de behoefte van de jongmeerderjarige niet kan vaststellen, omdat zowel de inkomensgegevens van de jongmeerderjarige (bijbaan en studiefinanciering) als die van de vader van de jongmeerderjarige ontbreken. Wel is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat de vrouw een bijdrage levert in het levensonderhoud van de jongmeerderjarige. Omdat de jongmeerderjarige gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien met een bijbaan en studiefinanciering ziet de rechtbank aanleiding om de draagkracht van de vrouw met één derde te verlagen. Hierdoor is er voor [de minderjarige] een draagkracht van € 483,- per maand beschikbaar.
- gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 693,- per maand (€ 210 + € 483). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige] van € 743,- per maand te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 50,- per maand.
- zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat een zorgkorting van 15% moet worden gehanteerd. De zorgkorting bedraagt dan in beginsel € 111,- per maand.
Omdat er sprake is van een tekort van € 50,- per maand wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 86,- per maand (€ 111 -/- € 25).
- conclusie
Uitgaande van bovenstaande zal de rechtbank de door de man, met ingang van 1 april 2026, aan de vrouw ten behoeve van [de minderjarige] te bepalen
voorlopigekinderalimentatie bepalen op € 124,- per maand.
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 april 2026
voorlopigeen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 124,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 mei 2026.