Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/09/699716 / FA RK 26-1565
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 RvArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging voorlopige kinderalimentatie na wijziging kindgebonden budget

Partijen zijn gehuwd en hebben vier minderjarige kinderen. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend en er is een voorlopige voorziening vastgesteld waarbij de man kinderalimentatie betaalt. De man verzoekt de voorlopige alimentatie te verlagen naar €110 per maand per kind, stellende dat de vrouw het kindgebonden budget ontvangt, terwijl de rechtbank eerder rekening hield met het budget bij de man.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw het kindgebonden budget vanaf maart 2026 ontvangt en bepaalt de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie op 1 maart 2026. De draagkracht van de man wordt berekend inclusief structureel overwerk en een structurele bonus, terwijl een eenmalige bonus buiten beschouwing blijft. De vrouw heeft een lager inkomen en verzorgt de volledige zorg voor de kinderen.

De gezamenlijke draagkracht van partijen is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, waardoor een tekort ontstaat. De rechtbank houdt rekening met een zorgkorting en bepaalt uiteindelijk dat de man een voorlopige kinderalimentatie van €110 per maand per kind betaalt, te voldoen vanaf 1 maart 2026. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de voorlopige kinderalimentatie naar €110 per maand per kind met ingang van 1 maart 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1565
Zaaknummer: C/09/699716
Datum beschikking: 7 mei 2026

Wijziging voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 17 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts te Den Haag,
voorheen N. Meijer te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.M. Buijs-van Bemmel te Krimpen aan den IJssel.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 23 februari 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het F9-formulier van 3 maart 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw;
  • het F9-formulier van 15 april 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek
Op 16 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Feiten

- Partijen zijn op [datum] 2006 te [plaats] ([land]) met elkaar gehuwd.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2],
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2022 te [geboorteplaats 2].
  • De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
  • De vrouw heeft op 13 november 2025 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, dat onder zaak- en rekestnummer C/09/694562 / FA RK 25-8587 in behandeling is.
  • Bij beschikking van 4 december 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat de man met ingang van 4 december 2025 aan de vrouw een

Verzoek en verweer

De man verzoekt voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank thans een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 110,- per maand per kind vaststelt.
De man doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking zijn gewijzigd.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 272,- per maand per kind vaststelt.
De man voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 824 tweede Pro lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorzieningen niet in stand kunnen blijven.
Partijen zijn het erover eens dat de omstandigheden na het geven van voormelde beschikking zijn gewijzigd, in die zin dat de rechtbank in haar berekening van de vastgestelde voorlopige kinderalimentatie heeft gerekend met het gegeven dat de man het kindgebonden budget ontving terwijl inmiddels de vrouw het kindgebonden budget ontvangt. De rechtbank zal de man dan ook ontvangen in zijn verzoek en hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2026 (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De rechtbank zal de door haar gemaakte berekeningen hechten aan de beschikking.
- ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de (gewijzigde) kinderalimentatie vaststellen. De ingangsdatum is tussen partijen in geschil.
De man stelt dat de vrouw het kindgebonden budget vanaf december 2025 ontvangt. De man verzoekt de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie dan ook op 1 december 2025 te bepalen.
De vrouw voert hiertegen verweer. Volgens de vrouw ontvangt zij vanaf maart 2026 het kindgebonden budget op haar eigen rekening. Gelet daarop dient 1 maart 2026 als ingangsdatum te worden bepaald.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:402 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de wetgever de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Daarbij liggen drie ingangsdata het meest voor de hand:
  • de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn;
  • de datum van indiening van het verzoekschrift;
  • de datum van de beschikking.
Uit de stukken blijkt dat de vrouw het kindgebonden budget vanaf maart 2026 ontvangt. De rechtbank zal de ingangsdatum van de (gewijzigde) kinderalimentatie dan ook op 1 maart 2026 bepalen.
- behoefte van de kinderen
In de vorige voorlopige voorzieningenprocedure is de behoefte van de kinderen in 2025 op € 1.427,- per maand (in totaal) bepaald. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen niet is gewijzigd. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen nu € 1.493,- per maand (in totaal), oftewel € 373,- per maand per kind.
- draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een gemiddeld inkomen van € 3.006,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de man overgelegde betaalspecificaties over de maanden november 2025, december 2025 en januari 2026.
De vrouw stelt dat voor de berekening van de draagkracht van de man ook rekening moet worden gehouden met het inkomen uit overwerk en de variabele bonussen, die op de loonstroken van de man zichtbaar zijn.
De man voert verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat het inkomen uit overwerk niet structureel is en daarom buiten beschouwing dient te worden gelaten. Daarnaast betreft de bonus, uitgekeerd in november 2025, een eenmalige bonus en is de bonus, uitgekeerd in december 2025, een Oud en Nieuw bonus.
De rechtbank is van oordeel dat uit de loonstroken van de man voldoende blijkt dat er sprake is van een structureel inkomen uit overwerk. De rechtbank zal daarom rekening houden met een gemiddeld inkomen van € 151,- bruto per maand uit overwerk. Daarnaast heeft de man op de zitting gemotiveerd gesteld dat de bonus, uitgekeerd in november 2025, een eenmalige bonus betreft in verband met de verkoop van een stuk van het bedrijf. De rechtbank zal deze bonus dan ook buiten beschouwing laten. Ten aanzien van de bonus, uitgekeerd in december 2025, heeft de man op de zitting aangevoerd dat dit een Oud en Nieuw bonus betreft. Omdat de man niet heeft betwist dat dit een structurele bonus betreft, zal de rechtbank in haar berekening rekening houden met deze bonus van € 291,- bruto per jaar.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende premies:
  • de pensioenpremie van (gemiddeld) € 167,- per maand;
  • de premie WIA van (gemiddeld) € 8,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2026 op € 2.766,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Voorts is tussen partijen in geschil in hoeverre rekening moet worden gehouden met het woonbudget van de man. De vrouw stelt dat de man kosteloos inwoont bij zijn zus en dat er daarom enkel rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten.
De man voert hiertegen verweer. Hij stelt dat hij weliswaar op dit moment geen woning heeft, maar dat hij hier wel naar op zoek is.
De rechtbank ziet in onderhavige situatie geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget en overweegt daartoe als volgt. De huidige woningmarkt is lastig. Dat de man nog geen (geschikte) woning heeft gevonden, en daarom (kosteloos) elders woont, acht de rechtbank dan ook aannemelijk. Echter, de man heeft wel budget nodig om een woning voor zichzelf te kunnen vinden. Gelet daarop zal de rechtbank het woonbudget hanteren.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht – conform de aanbevelingen uit het rapport – de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan in beginsel: 70% x [2.766 – (830 + 1.365)] = € 400,- per maand.
- draagkracht vrouw
De man is van mening dat aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit. De kinderen gaan immers naar school en naar de kinderopvang, waardoor het ook aan de vrouw is om zo veel mogelijk te werken. Daarnaast stelt de man dat de vrouw ook in de ochtend werkt en dat deze uren niet zichtbaar zijn op haar loonstroken.
De vrouw voert verweer. Zij heeft de volledige zorg voor vier kinderen en kan daarom niet meer werken dan zij op dit moment doet. Daarnaast betwist de vrouw dat zij ook in de ochtend werkt. De loonstroken die de vrouw heeft overgelegd geven dan ook een volledig beeld van haar inkomen.
De rechtbank overweegt dat de vaststelling van een voorlopige kinderalimentatie het karakter heeft van een ordemaatregel, waarbij de rechtbank zoveel mogelijk aansluit bij de feitelijke situatie van partijen. Hierin is geen plaats voor de beoordeling van de verdiencapaciteit van de vrouw. Deze kan in de bodemprocedure aan de orde komen. Verder is het de rechtbank onvoldoende gebleken dat de vrouw meer inkomen verwerft dan op haar loonstroken zichtbaar is. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dan ook rekening houden met de inkomensgegevens, zoals deze volgen uit de door de vrouw overgelegde betaalspecificaties. Dit betekent dat de rechtbank rekening houdt met een (gemiddeld) inkomen van € 1.180,- bruto per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende premies:
  • de pensioenpremie van (gemiddeld) € 57,- per vier weken;
  • de aanvullende pensioenpremie van (gemiddeld) € 15,- per vier weken.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.313,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht eveneens de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan in beginsel: 70% x [2.313 – (694 + 1.365)] = € 178,- per maand.
- gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraag gezamenlijk € 578,- per maand (€ 400 + € 178). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van € 1.493,- per maand te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 915,- per maand.
- zorgkorting
In de vorige voorlopige voorzieningenprocedure is, gelet op de voorlopige zorgregeling, rekening gehouden met een zorgkorting van 5% ten aanzien van de jongste twee kinderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in deze procedure van af te wijken, omdat de vrouw zich aan die voorlopige zorgregeling dient te houden. De zorgkorting bedraagt dan in beginsel € 38,- per maand.
Omdat er sprake is van een tekort van € 915,- per maand wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat er geen zorgkorting meer overblijft en dat de man zijn volledige draagkracht van € 400,- per maand moet aanwenden voor de bijdrage in de kosten van de kinderen.
- conclusie
Uitgaande van bovenstaande volgt een door de man te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 100,- per maand per kind, te weten € 400,- per maand in totaal. De man heeft verzocht de voorlopige kinderalimentatie te wijzigen in € 110,- per maand per kind. Dat is meer dan uit de berekening van de rechtbank volgt. De rechtbank gaat ervan uit dat de man in staat is hetgeen hij verzoekt te betalen. Het is ook in het belang van de kinderen dat zij zo veel mogelijk in hun behoefte worden voorzien. Daarom zal de rechtbank de door de man, met ingang van 1 maart 2026, aan de vrouw ten behoeve van de kinderen te bepalen
voorlopigekinderalimentatie bepalen op € 110,- per maand per kind, te weten € 440,- per maand in totaal.
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 4 december 2025 – :
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 maart 2026
voorlopigeen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2];
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats 1];
  • [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2022 te [geboorteplaats 2];
van € 110,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 mei 2026.