Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15312

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/09/666749 / FA RK 24-3630
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijfplaats en gezagsregeling oudste dochter bij vader met omgangsregeling zussen

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader over het gezag, de hoofdverblijfplaats van de oudste dochter en de omgangsregeling tussen de zussen. Na een rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming en een zitting op 10 april 2026, handhaafde de rechtbank eerdere overwegingen en nam nieuwe beslissingen.

De oudste dochter verblijft sinds juli 2025 feitelijk bij de vader en is sinds oktober 2025 bij hem ingeschreven. De rechtbank stelde de hoofdverblijfplaats van de oudste dochter per datum beschikking vast bij de vader. Tevens werd bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag over haar uitoefenen, omdat de vader praktische beslissingen neemt en het contact met de moeder beperkt is.

De omgangsregeling tussen de zussen werd voorlopig vastgesteld op wekelijks fysiek en telefonisch contact, met een toekomstig streven naar een weekendregeling. De rechtbank verwees de ouders naar het hulpverleningstraject Parallel Solo Ouderschap om het ouderschap te verbeteren en het contact tussen de kinderen te herstellen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de hoofdverblijfplaats van de oudste dochter bij de vader vast, kent gezamenlijk gezag toe en regelt een omgangsregeling voor de zussen.

Uitspraak

1Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-3630
Zaaknummer: C/09/666749
Datum beschikking: 8 mei 2026

Gezag, hoofdverblijfplaats en de omgangs- c.q. zorgregeling

Beschikking op het op 26 april 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.J. Josipovic in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Pool in Rotterdam.

Procedure

Bij beschikking van 9 juli 2025 van deze rechtbank is een beslissing ter zake het gezag, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en de omgangs- c.q. zorgregeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:
  • het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming in ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de raad) van 27 januari 2026, kenmerk SK-1-66PSKV4;
  • het bericht van 2 april 2026 namens de vader.
Op 10 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat en maatschappelijk werker [naam 1] , de vader met zijn advocaat
en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Advies van de Raad voor de Kinderbescherming
Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 27 januari is – verkort weergegeven – het volgende gebleken:
[minderjarige 2] heeft aangegeven niet naar haar vader te willen en het weekend met haar zus te willen zijn. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat ze bij haar vader op haar plek is. Ze maakt zich zorgen om haar zusje.
De moeder heeft [minderjarige 1] sinds november 2025 niet meer gesproken. De moeder heeft toestemming gegeven [minderjarige 1] in te schrijven bij haar vader. De moeder staat er ook voor open om de voogdij over [minderjarige 1] aan de vader over te dragen, als zij dat wenst. De moeder wil het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] houden. De moeder is bang voor de vader.
De vader wil eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] omdat zij nu bij hem woont en hij praktische zaken voor haar wil regelen. Vader wil graag omgang met [minderjarige 2] , dit ging hiervoor altijd goed. De vader wil ook gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] . Het contact tussen de ouders gaat via hun meerderjarige zoon. Vader heeft hulpverlening, bewindvoering en maatschappelijk werker.
De Raad adviseert om:
  • de hoofverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader te formaliseren;
  • geen zorgregeling vast te stellen voor de kinderen;
  • hoogste prioriteit te geven aan herstellen contact tussen de zussen;
  • als [minderjarige 2] bereid is contact met de vader dit begeleid en gefaseerd op te bouwen, maar hiervoor moet eerst een hulpverleningstraject worden ingezet;
  • geen contactherstel tussen [minderjarige 1] en de moeder;
  • de ouders elkaar te laten informeren over de kinderen (ook al is informatieregeling niet gevraagd);
  • hulpverlening opstarten waarbij de ouders naar ouderschapsbemiddeling, Parallel Solo Ouderschap (PSO), gaan met persoonlijke begeleiding vanuit PSO voor de kinderen en hulpverlening voor [minderjarige 2] te starten voor het neutraliseren beeld van ouders en op termijn kijken of er ruimte gecreëerd kan worden voor contactherstel met vader;
  • de beslissing aan te houden voor 9 maanden.
Hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1]
Wettelijk kader
Op grond van sub b van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken is gebleken dat [minderjarige 1] sinds juli 2025 feitelijk bij de vader verblijft. Eind oktober 2025 is zij ook op het adres van de vader ingeschreven. De vader verzoekt de rechtbank om de hoofverblijfplaats van [minderjarige 1] , met terugwerkende kracht, vanaf 18 juli 2025 bij hem te bepalen.
De rechtbank overweegt als volgt. Wijziging van de hoofdverblijfplaats met terugwerkende kracht is in zijn algemeenheid onwenselijk omdat het rechtsonzekerheid meebrengt. De moeder kan erkennen dat [minderjarige 1] vanaf 18 juli 2025 feitelijk de hoofdverblijf bij de vader heeft gehad. Ook de wijziging in de BRP is inmiddels doorgevoerd. De rechtbank ziet in aanmerking genomen het voorgaande niet in hoeverre een wijziging met terugwerkende kracht in het belang van [minderjarige 1] is en zal de wijziging hoofdverblijf van [minderjarige 1] per datum beschikking vaststellen.
Gezag
Uit artikel 1:253c lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten.
De vader wil omdat [minderjarige 1] nu bij hem woont ook het gezag over [minderjarige 1] . De vader loopt op dit moment tegen praktische belemmeringen aan doordat hij niet de gezaghebbende ouder van [minderjarige 1] is. Zo belt school de moeder bij schoolverzuim van [minderjarige 1] , terwijl de vader hier beter zicht op heeft. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij het eens is met het belasten van de vader met het gezag over [minderjarige 1] .
De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige 1] verblijft sinds juli 2025 bij de vader en staat sinds oktober 2025 officieel bij hem ingeschreven. De vader is hiermee de ouder die voornamelijk beslissingen over en voor haar maakt. Het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder is beperkt. Er is bij [minderjarige 1] grote weerstand tegen contact met haar moeder. Gelet hierop acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] dat de vader gezamenlijk met de moeder belast wordt met het gezag over [minderjarige 1] . De rechtbank zal het verzoek van de vader toewijzen en bepalen dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige 1] .
Op de zitting hebben de ouders aangegeven dat zij zich beiden kunnen vinden in het toekennen van het eenhoofdig gezag aan de vader over [minderjarige 1] . De rechtbank heeft aangegeven dat doordat dit verzoek niet voor ligt zij hier niet op zal beslissen, maar dat de ouders een gezamenlijk verzoek kunnen doen tot het vaststellen van het eenhoofdig gezag van de vader over [minderjarige 1] .
Omgangs- c.q. zorgregeling
De rechtbank is er niet in geslaagd partijen over de omgang tot algehele overeenstemming te brengen. De rechtbank neemt hierom op grond van artikel 1:253a BW een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank overweegt dat de ouders op de zitting hebben onderkend dat de zussen elkaar missen. De ouders hebben aangegeven dat zij het belang inzien van contactherstel tussen de zussen. Op de zitting zijn de ouders tot een voorlopige omgangsregeling tussen hen gekomen waarbij de zussen eens per week fysiek en eens per week telefonisch contact zullen hebben. De overeengekomen omgangsregeling acht de rechtbank in het belang van de kinderen en zij zal overeenkomstig beslissen.
Daarnaast acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat er een meer structurele omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedtaken komt. Hierom zal de rechtbank ook een weekendregeling voor de kinderen vaststellen. De rechtbank benadrukt dat deze weekendregeling een stip aan de horizon is en niet direct van kracht behoeft te gaan, maar acht het wel van belang deze vast te stellen zodat het voor alle partijen (en ook de kinderen zelf) duidelijk is waar naartoe gewerkt dient te worden. Hoe lang daarvoor nodig is en hoe het opbouwschema er van tijd tot tijd uit zal zien, zal bepaald moeten worden aan de hand van de draagkracht van de kinderen.
Doorverwijzing ouderschapsbemiddeling
Tijdens de mondelinge behandeling is met de ouders een doorverwijzing naar het traject Parallel Solo Ouderschap besproken, conform het advies van de Raad. Het traject biedt de ouders de mogelijkheid om apart van elkaar te werken aan het ouderschap.
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Parallel Solo Ouderschap via Jeugdteams Leidse regio.
De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het aan deze beschikking gehechte proces-verbaal van doorverwijzing. Het proces-verbaal is reeds per e-mailbericht doorgezonden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding
voor deelname aan het traject Parallel Solo Ouderschap en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2025 – :
*
bepaalt dat de [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , met ingang van heden de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;
*
bepaalt dat voortaan de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 3] 1970 in [geboorteplaats 2] , voortaan samen met de moeder het gezag zal uitoefenen over de [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ;
*
bepaalt dat de [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 1] , voorlopig omgang zullen hebben:
  • iedere zaterdag van 10:00 uur tot 11:00 uur in [het winkelcentrum] , waarbij de vader [minderjarige 1] haalt en brengt en de moeder [minderjarige 2] haalt en brengt;
  • iedere woensdag telefonisch om 18:00 uur, waarbij [minderjarige 1] de moeder belt en de moeder direct de telefoon aan [minderjarige 2] geeft;
  • en zodra daarvoor de draagkracht bestaat, te bepalen in overleg tussen de ouders:
  • de ene week van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij de moeder zijn;
  • de andere week van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij de vader zijn.
*
stelt vast dat partijen, te weten;
[de vader] (de vader)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder] (de moeder)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstrajecten Parallel Solo Ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 mei 2026.
[bijlage verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]