ECLI:NL:RBDHA:2026:15331

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/09/691017 / JE RK 25-1537
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen in pleegzorg

De rechtbank Den Haag heeft op 8 mei 2026 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging was eerder verleend en zou aflopen op 11 mei 2026. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten 11 november 2026.

De feiten en eerdere beslissingen zijn overgenomen uit de beschikking van 9 oktober 2025. De gecertificeerde instelling motiveerde het verzoek met het standpunt dat thuisplaatsing bij de vader op korte termijn niet mogelijk is vanwege zijn aanstaande verhuizing en bedrijfsstart. Adviezen van hulpverleners en het VUHP onderschrijven dat thuisplaatsing momenteel niet in het belang van de kinderen is. De kinderen ervaren rust, veiligheid en stabiliteit in het pleeggezin, en hun gedrag is verbeterd.

De moeder stemde in met de verlenging, wenst wel een uitgebreidere omgangsregeling en verbetering van het contact met de pleegouders. De pleegouders steunen het verzoek en benadrukken de noodzaak van goede voorbereiding en ondersteuning bij omgangsmomenten. De vader was niet aanwezig bij de zitting maar is correct opgeroepen.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De machtiging wordt verlengd tot 11 november 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen in pleegzorg tot 11 november 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/691017 / JE RK 25-1537
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S.O. Zengin uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
[pleegouder 1]en
[pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
gezamenlijk wonend op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij de beschikking van 9 oktober 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 11 november 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is verlengd tot 11 mei 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 9 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 20 april 2026;
  • het e-mailbericht van de pleegouders van 3 mei 2026.
1.3.
Op 8 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De pleegouders hebben zich bij e-mailbericht van 3 mei 2026 afgemeld voor de zitting.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 9 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. De afgelopen maanden heeft de gecertificeerde instelling zich ingespannen om duidelijkheid te krijgen over het perspectief van de kinderen en wat nodig zou zijn voor een eventuele thuisplaatsing bij de vader. In een gesprek met de jeugdbeschermer heeft de vader aangegeven dat thuisplaatsing van de kinderen de komende maanden en mogelijk jaren niet mogelijk is. De vader zal binnenkort verhuizen, moet deze woning nog in orde maken en is van plan een bedrijf op te starten. Hij wil dit alles eerst stabiliseren voordat er wordt gewerkt aan (gedeeltelijke) thuisplaatsing. De gecertificeerde instelling heeft de visie van VUHP en [hulpverlener 1] ingewonnen met betrekking tot de situatie en zij adviseren dat thuisplaatsing niet in het belang is van de kinderen. De gecertificeerde instelling onderschrijft dit en vindt een continuering van de plaatsing in het pleeggezin noodzakelijk. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren rust, veiligheid, structuur en stabiliteit in het pleeggezin. Sinds de kinderen daar verblijven is hun gedrag verbeterd. De nieuwe omgangsregeling loopt sinds kort en verloopt goed. Eind mei zal een eerste tussenevaluatie hiervan plaatsvinden.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder vindt de huidige omgangsreling minder dan de omgangsregeling die zij in het verleden heeft gehad. Zij zou deze graag uitgebreid zien worden. De moeder realiseert zich dat thuisplaatsing van de kinderen bij haar op dit moment niet haalbaar is, maar zij spreekt de hoop uit dat dit in de toekomst wel realiseerbaar zal zijn. Het is voor haar een teleurstelling dat de vader heeft aangegeven niet langer open te staan voor thuisplaatsing van de kinderen bij hem. Ook benoemt de moeder dat het goed zou zijn om te werken aan het verbeteren van het contact tussen haar en de pleegouders.
4.2.
De pleegouders hebben hun mening kenbaar gemaakt in het e-mailbericht van 3 mei 2026. Daarin geven zij aan in te stemmen met het verzoek. De kinderen ervaren rust en stabiliteit in het pleeggezin. Ook ten aanzien van de omgangsmomenten wordt gezien dat de kinderen goed voorbereid moeten worden op deze momenten en na afloop ondersteuning nodig hebben.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderen ervaren stabiliteit en rust bij het pleeggezin. De pleegouders sluiten goed aan bij de behoeften van de kinderen en er wordt een verbetering van het gedrag van de kinderen gezien. De kinderen zijn daarnaast aangemeld voor hulpverlening bij [hulpverlener 2] . De vader heeft recent aangegeven dat thuisplaatsing van de kinderen bij hem op dit moment niet mogelijk is en dat hij zich de komende periode eerst moet focussen op zijn nieuwe woning en nieuwe onderneming. Gelet op dit standpunt van de vader, heeft het perspectiefonderzoek niet plaatsgevonden en is door zowel [hulpverlener 1] als door het VUHP geadviseerd dat een thuisplaatsing bij vader op dit moment niet in het belang van de kinderen is. De kinderen hebben conform de omgangsregeling contact met beide ouders en dit verloopt goed. Binnenkort zal de eerste tussenevaluatie plaatsvinden en worden bekeken hoe de omgang met de ouders verloopt en of dit kan worden uitbreid.
Gelet op het voorgaande wijst de kinderrechter het verzoek tot het verlengen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 11 november 2026 toe.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 11 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.