Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15344

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/09/698625 / JE RK 26-153
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en opschorting contact tussen minderjarige en vader

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de gecertificeerde instelling tot wijziging van de zorgregeling voor een minderjarige, waarbij het contact met de vader voor een langere periode werd stopgezet. Eerder was het contact reeds voor drie maanden opgeschort, en nu werd verzocht dit te verlengen tot zes maanden. De reden hiervoor was dat de reguliere schoolsetting onvoldoende aansloot bij de behoeften van de minderjarige en dat eerst een intensief hulpverleningstraject, waaronder Multi Systeem Therapie (MST), moest worden gestart.

De vader voerde verweer tegen de verlenging van de opschorting en stelde dat contact met hem belangrijk is voor de minderjarige en dat het opschorten het risico op vervreemding vergroot. Hij verzocht tevens om een gefaseerde contactregeling en een concreet plan van aanpak voor contactherstel en behandeling. De moeder stemde in met het verzoek van de gecertificeerde instelling, benadrukkend dat het contactherstel pas wenselijk is na het opstarten van de hulpverlening.

De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de minderjarige is dat eerst de hulpverleningstrajecten MST en Parallel Solo Ouderschap (PSO) worden opgestart, en dat het contact met de vader voorlopig wordt stopgezet. De overige verzoeken van de vader werden afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt direct, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De zorgregeling wordt gewijzigd door het contact tussen de minderjarige en de vader tot 21 augustus 2026 stop te zetten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/698625 / JE RK 26-153
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.D. Bauman uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.C. Braun uit Den Haag.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 24 februari 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is de zorgregeling zoals die is vastgesteld op 11 september 2018 gewijzigd, in die zin dat het contact met de vader voor een periode van drie maanden is stopgezet, te weten tot 24 mei 2026. Het verzoek tot het wijzigen van de zorgregeling is voor het overige aangehouden. De kinderrechter heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
1.2.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 24 februari 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • het verweerschrift van de vader, met zelfstandige verzoeken, met bijlagen van 29 april 2026;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 1 mei 2026, met bijlagen.
1.3.
Op 8 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 24 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt op grond van artikel 1:265g lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) de op 11 september 2018 vastgestelde zorgregeling in zoverre te wijzigen dat de huidige zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader voor zes maanden wordt stopgezet, waardoor [de minderjarige] volledig bij de moeder zal verblijven in plaats van wekelijks van donderdagochtend 8:30 uur tot en met zondagochtend 9:30 uur bij de vader. Het verzoek is op 24 februari 2026 toegewezen voor de duur van drie maanden en voor het overige aangehouden. De gecertificeerde instelling verzoekt nu ook de regeling gedurende de resterende drie maanden, uitvoerbaar bij voorraad, stop te zetten.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. Na een proefplaatsing op de Vrije School is gebleken dat een reguliere schoolsetting, met extra ondersteuning, onvoldoende aansluit bij [de minderjarige] . Het advies luidt dat een onderwijs-zorgsetting met intensieve begeleiding en een gefaseerde opbouw de meest passende stap richting duurzame schooldeelname is. Door het EMC is echter geadviseerd dat eerst gestart moet worden met Multi Systeem Therapie (MST) voordat [de minderjarige] terugkeert naar het onderwijs. Na de meivakantie zal er een Multi Disciplinair Overleg (MDO) plaatsvinden waarin de vervolgstappen bepaald zullen worden. De gecertificeerde instelling is van mening dat een onderwijs-zorgcombinatie zoals Youz op dit moment voor [de minderjarige] het meest passend is. De gecertificeerde instelling geeft aan dat er nog geen concreet plan voor contactherstel met de vader is en dat het de vraag is of dit wenselijk en uitvoerbaar zal zijn voordat de hulpverlening is opgestart. Door de wachtlijsten in de zorg is de individuele hulpverlening voor [de minderjarige] nog niet gestart, waardoor de situatie onveranderd is sinds het stopzetten van de zorgregeling op 24 februari 2026. Het is op dit moment dan ook onduidelijk wanneer gestart kan worden met de benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] . Daarbij komt dat de zomervakantie kan zorgen voor extra vertraging in verband met de beschikbaarheid van de hulpverleners en de wens van de moeder om met [de minderjarige] op vakantie te gaan. [de minderjarige] is aangemeld bij de Viersprong voor MST. Dit zal waarschijnlijk starten in juni. Het MST-traject biedt hulpverlening voor zowel [de minderjarige] individueel als voor het gehele gezin. De vader en de moeder zijn in november 2025 al aangemeld voor Parallel Solo Ouderschap (PSO). In dat hulpverleningstraject zal ook [de minderjarige] worden meegenomen. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting aangegeven dat beide trajecten naast elkaar kunnen lopen. Bij MST en PSO zal gesproken worden met [de minderjarige] zodat hij zijn verhaal kwijt kan. Tegelijkertijd zal bekeken worden welke hulpverlening hij nodig heeft en zal hij daarvoor worden aangemeld.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. De vader betwist dat [de minderjarige] schade zal oplopen als hij wordt gedwongen tot contact met hem. Uit de brief van het EMC volgt juist dat het voor [de minderjarige] belangrijk is om herhaaldelijk de boodschap te krijgen dat hij een fijne band met beide ouders mag hebben, dat contact moet worden aangeboden en dat vanuit rust en in stappen gewerkt moet worden aan positief contact. Het EMC heeft niet geadviseerd de omgang met de vader stop te zetten. Het omgangsmoment van september 2025 is goed verlopen, waardoor de vader niet begrijpt waarom de omgang nadien niet heeft plaatsgevonden. Het opschorten van de zorgregeling heeft niet het beoogde effect gehad. Er is geconcludeerd dat regulier onderwijs, ook met extra ondersteuning, niet passend is voor [de minderjarige] en het MST-traject is nog niet gestart. Ook heeft er geen contactherstel plaatsgevonden. Een langere opschorting van het contact vergroot het risico op vervreemding. Het verzoek van de gecertificeerde instelling moet dan ook worden afgewezen. Daarnaast heeft de vader verzocht om het vaststellen van een verplichte gefaseerde contactregeling met concrete doorgroeimogelijkheden naar een uitgebreidere regeling met ingang van uiterlijk 1 juni 2026. In dat kader heeft hij ook verzocht dat er een concreet, schriftelijk plan van aanpak wordt opgesteld voor contactherstel binnen twee weken na de zitting en dat binnen twee weken na de zitting een concreet en schriftelijk integraal behandelplan voor [de minderjarige] wordt opgesteld. Verder verzoekt de vader te bepalen dat overdrachten plaatsvinden zonder aanwezigheid van de moeder, om de spanning bij [de minderjarige] te beperken, conform het advies van het EMC en de observaties van de gecertificeerde instelling zelf, en te bepalen dat de zomervakantie van 2026 actief wordt benut voor contactherstel parallel aan de MST, zodat er in september 2026 geen keuze hoeft te worden gemaakt tussen school en contactherstel.
4.2.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek. Het blijft de vraag of er eerst gewerkt moet worden aan de schoolgang van [de minderjarige] of aan contactherstel tussen beide ouders en tussen [de minderjarige] en de vader. Zelfs de deskundigen hebben daar geen eenduidige mening over. De moeder betreurt het dat de proefplaatsing bij de Vrije School niet goed is verlopen. Het lijkt de moeder de juiste route om via Youz te kijken of [de minderjarige] weer vertrouwen kan krijgen in het volgen van onderwijs en dat hij vervolgens via MST en PSO kan werken aan contactherstel met de vader. Op die manier kan het verbeteren van de communicatie tussen de vader en de moeder worden opgepakt en kan [de minderjarige] starten binnen de therapeutische schoolsetting van Youz. De moeder vindt het belangrijk dat [de minderjarige] traumasensitief onderwijs kan volgen en tegelijkertijd hulpverlening kan krijgen voor onder meer zijn emotieregulatie. Het herstellen van het contact tussen [de minderjarige] en de vader is op dit moment niet wenselijk, omdat [de minderjarige] daar zonder hulpverlening negatief op reageert. Een langere opschorting is noodzakelijk, zodat eerst de hulpverlening in gang kan worden gezet. De moeder voegt daaraan toe dat ze wel graag zou zien dat [de minderjarige] weer contact heeft met de vader.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank kan de hiervoor genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt in haar beoordeling de zelfstandige verzoeken van de vader mee.
5.2.
Uit de proefplaatsing van [de minderjarige] bij de Vrije School is gebleken dat een reguliere schoolsetting onvoldoende aansluit bij [de minderjarige] , ook met extra ondersteuning. Volgens de klinisch neuropsycholoog van het EMC zal eerst gestart moeten worden met MST voordat [de minderjarige] kan starten met individuele hulpverlening en het volgen van onderwijs. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting aangegeven dat er na de meivakantie een MDO is waarin besproken zal worden welke stappen er gezet gaan worden in het kader van de schoolgang van [de minderjarige] . Zowel de gecertificeerde instelling, als de vader en de moeder vinden het van belang dat [de minderjarige] zich verder kan ontwikkelen binnen het onderwijs en sociale contacten heeft met leeftijdsgenoten. De gecertificeerde instelling is voornemens de komende periode een tweesporenbeleid uit te voeren. [de minderjarige] zal worden aangemeld voor een onderwijs-zorgcombinatie bij Youz en kan daar in een kleinschalige setting onderwijs volgen en behandeling krijgen. Tegelijkertijd zullen de vader en de moeder starten met het MST-traject en PSO om hun onderlinge verhouding te verbeteren. [de minderjarige] zal in dit traject worden meegenomen, onder meer door gesprekken te voeren met de hulpverleners. Deze trajecten richten zich met name op de vader en de moeder, maar kunnen ook helpend zijn voor [de minderjarige] en bij hem ruimte creëren voor contactherstel met de vader. De rechtbank is van oordeel dat deze trajecten eerst opgestart moeten worden, zodat daarbij bekeken kan worden waar de problemen van [de minderjarige] vandaan komen die contactherstel met de vader in de weg staan. Het is niet in het belang van [de minderjarige] als de rechtbank hem nu zou dwingen om te werken aan contactherstel met de vader. De rechtbank vindt het dan ook noodzakelijk dat de zorgregeling voor de looptijd van de ondertoezichtstelling wordt stopgezet. De rechtbank benadrukt daarbij wel dat zodra er een opening bij [de minderjarige] is voor contactherstel met de vader de gecertificeerde instelling dit met beide handen zal aangrijpen en daarvoor de benodigde stappen zal zetten.
5.3.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de overige verzoeken van de vader afwijst.
5.4.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt: stopt de zorgregeling zoals die is vastgesteld op 11 september 2018, tot 21 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. C.M. Koole, mr. M.M. Meijers en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.