ECLI:NL:RBDHA:2026:15398
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitstel van vertrek wegens onvoldoende bewijs ontoegankelijkheid medische zorg in Armenië
Eiser, van Armeense nationaliteit en geboren in 1953, heeft meerdere aanvragen gedaan om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege zijn medische situatie. De minister heeft deze aanvragen afgewezen, waarbij het Bureau Medische Advisering (BMA) concludeerde dat medische behandeling in Armenië beschikbaar is en voldoende om een medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden te voorkomen.
Eiser voerde aan dat hij financieel niet in staat is de benodigde zorg te bekostigen en dat de zorg in Armenië feitelijk niet toegankelijk is. Hij overlegde onder meer een brief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een makelaarsbrief over huurprijzen en een medicatie-overzicht. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke financiële situatie, de kosten van behandeling en medicatie, en de beschikbaarheid van zorgverzekering of sociale ondersteuning in Armenië.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang heeft tot noodzakelijke medische zorg en dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen feitelijke toegang heeft tot noodzakelijke medische zorg in Armenië.