Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27925
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet wegens risico op onttrekking

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een maatregel van bewaring op te leggen op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op meerdere gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit en nationaliteit.

De rechtbank oordeelde dat de gronden onder 3a, 3b, 3d en 4b van het Vreemdelingenbesluit voldoende waren om het risico op onttrekking aan toezicht aan te nemen. Eiser had geen feiten of omstandigheden aangevoerd om het weerlegbare rechtsvermoeden van onttrekking te weerleggen. Ook de verklaring van eiser dat hij contact wenste met de Internationale Organisatie voor Migratie was onvoldoende.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27925

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft afstand gedaan van het recht om gehoord te worden en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft de hiervoor genoemde gronden, behalve de grond onder 4b, gemotiveerd betwist.
2. Naar het oordeel van de rechtbank kan de grond onder 3a aan eiser worden tegengeworpen. Dat eisers laatste inreis een overdracht in het kader van de Dublinverordening betreft doet niet af aan de feitelijke juistheid van de grond. Eiser is al eerder niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen, hij beschikt immers niet over een geldig reisdocument waaruit kan worden afgeleid dat hij Nederland op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Verder is niet gebleken dat eiser zelf op actieve wijze in contact is gebleven met de vreemdelingenrechtelijke autoriteiten om hen op de hoogte te houden van zijn verblijfplaats(en) en activiteiten die hij onderneemt om aan zijn vertrekplicht te voldoen. Gelet hierop kan ook de grond onder 3b aan eiser worden tegengeworpen. Ook kan aan eiser worden tegengeworpen dat hij niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft geen geldig identiteitsdocument overgelegd en heeft ook geen concrete inspanningen verricht om zijn gestelde identiteit en nationaliteit te onderbouwen of concrete informatie verschaft die het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit kunnen bespoedigen. De gronden onder 3a, 3b, 3d en de niet betwiste grond onder 4b, in onderlinge samenhang bezien, zijn al voldoende voor de conclusie dat verweerder zich op het standpunt mag stellen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
3. Dit risico op onttrekking betreft echter een weerlegbaar rechtsvermoeden. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd om het rechtsvermoeden te weerleggen. Verweerder is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat sprake is van een risico op onttrekking en dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van zijn asielaanvraag. Dat eiser verklaart dat hij in contact wenst te komen met de Internationale Organisatie voor Migratie is onvoldoende voor een ander oordeel.
4. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat de toepassing van de maatregel niet onrechtmatig is.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.