Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL25.22358
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran

Eiser, afkomstig uit Iran, verzocht om een visum voor kort verblijf in Nederland voor familiebezoek. Na eerdere afwijzingen en een gegrond verklaard beroep waarbij het bestreden besluit werd vernietigd, nam de minister een nieuw besluit tot afwijzing van het visum. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij over voldoende sociale en economische binding met Iran beschikt om tijdige terugkeer te waarborgen.

Eiser diende ruim een jaar na verzoek om aanvullende informatie onvertaalde stukken in ter onderbouwing van zijn economische binding, zonder nadere uitleg. Zijn arbeidssituatie ten tijde van het bestreden besluit bleef onduidelijk. De minister mocht afzien van het horen van eiser in bezwaar omdat deze onvoldoende medewerking verleende.

De rechtbank constateerde dat de ouders van eiser binnen de visumperiode naar Iran zijn teruggekeerd en dat de intenties van eiser en zijn familie oprecht zijn. Vanwege de oorlogssituatie in Iran zijn visumaanvragen van Iraanse aanvragers momenteel aangehouden. De rechtbank adviseert eiser een nieuwe aanvraag in te dienen zodra de situatie verbetert. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het visum kort verblijf blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.22358

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser], eiser

geboren op [geboortedag] 1996, van Iraanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. Chr. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiser en zijn ouders om verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 augustus 2022 ongegrond verklaard. Eiser en zijn ouders zijn tegen dit besluit in beroep gegaan.
Op 22 maart 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen en eiser en zijn ouders te horen. [1]
Op 17 augustus 2023 zijn aan de ouders van eiser visa verstrekt.
Verweerder heeft op 28 april 2025 een nieuw besluit (hierna: het bestreden besluit) genomen ten aanzien van eiser. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van het visum voor kort verblijf gebleven.
Eiser heeft op 15 mei 2025 beroep ingediend tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig referente (de zus van eiser) en mevrouw H. Abdulla als tolk in de Engelse taal.

Overwegingen

De uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 maart 2023
1. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 22 maart 2023 overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser en zijn ouders niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij financiële binding met Iran hebben. Verweerder had moeten onderzoeken, bijvoorbeeld op een hoorzitting, wat de documenten die zij hadden ingeleverd betekenden voor hun financiële binding met Iran nu duidelijk blijkt dat alle drie de personen financiële banden hebben. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het invullen van de vragenlijst te weinig is voor het aannemen van sociale binding. Verweerder heeft volgens de rechtbank ook onvoldoende onderbouwd waarom op basis van de algemene situatie in Iran vestigingsgevaar bestaat. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en eiser en zijn ouders te horen in bezwaar. [2]
Voorafgaand aan het bestreden besluit
2. Referente heeft op de zitting van 22 maart 2023 verklaard dat alleen haar ouders naar Nederland zouden afreizen om haar diploma-uitreiking in september 2023 bij te wonen. Eiser zat destijds in militaire dienstplicht en zou om die reden niet meereizen. Dit heeft referente op de zitting van 9 april 2026 bevestigd. Aan de ouders van referente zijn uiteindelijk visa verstrekt, geldig voor de periode 8 september tot en met 23 oktober 2023.
2.1.
Ten aanzien van eiser heeft verweerder verzocht om nadere onderbouwing van zijn economische binding met Iran. In de brief van 19 december 2023 heeft verweerder eiser verzocht om, alvorens te kunnen komen tot een beslissing, dan wel het organiseren van een hoorzitting, de volgende vragen te beantwoorden:

1. Wenst de vreemdeling nog steeds naar Nederland te komen voor een
bezoek aan referent? M.a.w.: bestaat er nog steeds belang bij een
inhoudelijke heroverweging van de eerdere visumweigering?
Zo ja:
2. In zowel de visumweigering als in de oorspronkelijke beslissing op het
bezwaarschrift werd tegengeworpen dat referent zich niet bereid
verklaarde garant te staan voor de vreemdeling. Tijdens de zitting in
beroep werd verklaard dat dit berustte op een misverstand: referent
zou zich wel degelijk garant willen stellen.
Is referent bereid een nieuw ‘Bewijs van garantstelling en/of
particuliere logiesverstrekking’ te verstrekken en dit te onderbouwen
met (financiële) bewijsstukken waaruit blijkt dat zij voldoet aan de
voorwaarden (zie www.ind.nl) om zich garant te kunnen stellen?
3. Met betrekking tot de economische activiteiten/binding van de
vreemdeling is zowel bij aanvraag als in bezwaar/beroep uiteenlopend
verklaard. Ten tijde van de aanvraag zou de vreemdeling student zijn,
in bezwaar werd gesteld dat hij samen met zijn moeder een eigen
onderneming had, in de meest recente informatie wordt gesproken
over werkzaamheden in militaire dienst. Kan de vreemdeling met
bewijsmiddelen aantonen dat hij op dit moment over een regelmatig
en substantieel inkomen in het land van herkomst beschikt om
zelfstandig in zijn onderhoud te kunnen voorzien?
4. Kan met paspoortstempels worden aangetoond dat de ouders van de
vreemdeling het aan hun verstrekte visum rechtmatig hebben
gebruikt? M.a.w.: zijn zij na hun verblijf in Nederland (tijdig)
teruggekeerd naar Iran?
2.2.
Eiser heeft op 19 maart 2025 – dus één jaar en drie maanden na de brief van verweerder van 19 december 2023 - aan verweerder zijn Iraanse vergunning van zijn naaibedrijf in het Farsi en bankafschriften zonder naam van de accounthouder toegestuurd.
Bestreden besluit
3. Volgens verweerder heeft eiser beperkte sociale banden met Iran. Hij is een ongehuwde man van 29 jaar oud en heeft geen kinderen. Het feit dat de ouders van eiser in Iran verblijven en zijn enige zus sinds 1 augustus 2020 in Nederland verblijft, maakt volgens verweerder niet dat kan worden aangenomen dat eisers sociale binding met Iran zodanig sterk is dat tijdige terugkeer kan worden gewaarborgd. Verder is niet gebleken dat eiser zorgdraagt voor familieleven of andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen in Iran heeft die hem dwingen tijdig naar Iran terug te keren.
3.1.
Ten aanzien van de economische binding met Iran, handhaaft verweerder het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij over regelmatig en substantieel inkomen beschikt om in zijn eigen onderhoud te kunnen voorzien. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij met het naaibedrijf dat hij samen met zijn moeder runt, regelmatig en substantieel inkomen genereert. De transacties op de bankafschriften die eiser heeft overgelegd, tonen volgens verweerder niet aan dat deze het resultaat zijn van werkzaamheden die zijn verricht door de onderneming. Van belang hierbij is dat de rekeninghouder niet op de afschriften staat vermeld. Ook om deze reden is tijdige terugkeer naar Iran volgens verweerder niet gewaarborgd.
3.2.
Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb [3] afgezien van het horen van eiser in bezwaar.
Het oordeel van de rechtbank
4. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder bij de beoordeling van de sociale en economische binding alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang moet bezien. [4] Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van sociale binding met Iran. Niet deugdelijk is gemotiveerd waarom de aanwezigheid van beide ouders in Iran, met wie eiser samenwoont, onvoldoende zou zijn om zijn terugkeer te waarborgen. De enkele verwijzing dat de zus van eiser in Nederland woont, vormt evenmin een gegronde reden om aan te nemen dat eiser niet zal terugkeren naar Iran. Verweerder is daarnaast onvoldoende ingegaan op de documenten die zijn overgelegd in bezwaar ten aanzien van de economische binding. Deze documenten zijn enkel niet bij de beoordeling betrokken omdat deze niet zijn vertaald. Verweerder had daarom nader onderzoek moeten verrichten. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar nu hij nieuwe stukken heeft ingediend en het bezwaar om die reden niet afgedaan had kunnen worden als kennelijk ongegrond.
5. De rechtbank constateert met verweerder dat eiser aanzienlijk laat, meer dan één jaar na de brief van 19 december 2023 van verweerder, en enkel onvertaalde stukken heeft ingediend ter onderbouwing van zijn economische binding met Iran. Eiser heeft ook geen nadere uitleg gegeven over deze stukken. Verder heeft eiser de vraag van verweerder waaruit blijkt dat hij over substantieel en regelmatig inkomen beschikt om in zijn eigen onderhoud te voorzien, niet expliciet en met inzichtelijke onderbouwing beantwoord. Daarmee blijft het naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk wat de arbeidssituatie van eiser ten tijde van het bestreden besluit precies was. Daarnaast betreffen de stukken die door eiser op 19 maart 2025 zijn opgestuurd, niet alle door verweerder opgevraagde stukken. Eiser heeft nagelaten de vragen te beantwoorden die verweerder heeft gesteld ten aanzien van het terugkeren van de ouders van eiser naar Iran en de garantstelling van referente. Verweerder heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn sociale en economische binding met Iran onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Hoewel de rechtbank verweerder in de eerdere uitspraak van 22 maart 2023 heeft opgedragen om ook eiser in bezwaar te horen, heeft verweerder daarvan onder de omstandigheden zoals hierboven weergegeven naar het oordeel van de rechtbank af mogen zien. Eiser heeft immers, ondanks herhaaldelijke verzoeken van verweerder om duidelijke uitleg over de informatie die verweerder nodig had om tot een beslissing te kunnen komen of om een hoorzitting in te plannen, onvoldoende inspanningen geleverd om de vragen van verweerder te beantwoorden. De beroepsgrond dat de hoorplicht is geschonden slaagt daarom niet.
7. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Op de zitting is de rechtbank opgevallen dat zowel referente als eiser oprechte intenties hebben om eiser naar Nederland over te laten komen voor familiebezoek. De ouders van referente en eiser zijn binnen het verstrijken van de geldigheidsduur van de aan hen verstrekte visa naar Iran teruggekeerd. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder voorafgaand aan de zitting vragen beantwoord. Daarin heeft verweerder onder andere meegedeeld dat, vanwege de huidige oorlogssituatie in Iran, alle zaken waarin een Iraanse aanvrager verzoekt om een visum of bezwaar heeft gemaakt tegen de weigering van een visum, voor onbepaalde tijd zijn aangehouden. Ondanks dat het verstrekken van een visum op dit moment onmogelijk is, wil de rechtbank aan zowel eiser als verweerder meegeven, dat eiser een nieuwe aanvraag kan indienen wanneer de situatie in Iran verbetert. Indien eiser dit besluit te doen, kan verweerder wellicht gelet op de oprecht overkomende intenties van deze familie en de terugkeer van de ouders naar Iran binnen de visumtermijn met welwillendheid een nieuwe aanvraag van eiser bekijken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van eisers visumaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

2.ECLI:NL:RBAMS:2023:2314, rechtsoverwegingen 2-4.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6776.