ECLI:NL:RBDHA:2026:15422

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
SGR 24/6683
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4.23 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering omgevingsvergunning en dwangsom voor erfafscheiding in strijd met bestemmingsplan

Eiseressen hebben drie aanvragen ingediend om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een gezamenlijke erfafscheiding van 1,80 meter hoog, terwijl het bestemmingsplan een maximale hoogte van 1 meter toestaat. Het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas wees deze aanvragen af en legde lasten onder dwangsom op vanwege het ontbreken van vergunningen.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht de vergunningen heeft geweigerd omdat de erfafscheiding in strijd is met het bestemmingsplan en het college niet hoefde af te wijken van dit plan. Het college mocht handhavend optreden, ook naar aanleiding van een interne melding van een wethouder, zonder dat sprake was van willekeur of misbruik van bevoegdheid. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het dienstbaarheidsbeginsel faalt omdat geen vergelijkbare gevallen met vergunningverlening zijn aangetoond en het dienstbaarheidsbeginsel niet leidt tot afzien van handhaving.

Verder is vastgesteld dat de bestuursrechtelijke procedure de redelijke termijn heeft overschreden, waardoor eiseressen een schadevergoeding van € 500,- toekomt, waarvan een deel voor rekening van het college en een deel voor de Staat der Nederlanden komt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de dwangsommen en weigering van vergunningen blijven in stand, en de proceskosten worden niet vergoed behalve die voor het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunningen en de opgelegde dwangsommen wordt ongegrond verklaard; eiseressen ontvangen een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6683

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseressen sub 1] B.V. en [eiseressen sub 2] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseressen
(gemachtigden: mr. G. van der Wende en mr. F Huisman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas

(gemachtigden: mr. P. Lobregt en mr. D. Kruk).
en

de Staat der Nederlanden, ministerie van Justitie en Veiligheid (de Staat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseressen tegen 1) drie besluiten van het college tot afwijzing van aanvragen om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een gezamenlijke erfafscheiding voor de percelen aan de [straatnaam] [huisnummers 1] te [plaats] en 2) drie besluiten van het college tot het opleggen van lasten onder dwangsom aan eiseressen, omdat de gezamenlijke erfafscheiding is gerealiseerd, zonder dat hiervoor de vereiste omgevingsvergunningen zijn verleend. Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen en de opgelegde lasten onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen en de opgelegde lasten onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvragen mocht afwijzen en de lasten onder dwangsom mocht opleggen. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseressen hebben op 8 augustus 2023 drie aanvragen om een omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van de gerealiseerde gezamenlijke erfafscheiding voor de percelen aan de [straatnaam] [huisnummers 1] te [plaats] .
2.1.
Met de besluiten van 18 oktober 2023 (de primaire besluiten I) heeft het college deze aanvragen afgewezen.
2.2.
Met de besluiten van 12 december 2023 (de primaire besluiten II) heeft het college per perceel een last onder dwangsom opgelegd omdat de gezamenlijke erfafscheiding is gerealiseerd zonder dat hiervoor de vereiste omgevingsvergunningen zijn verleend.
2.3.
Met het besluit van 4 juni 2024 (het bestreden besluit) op de bezwaren van eiseressen is het college bij alle primaire besluiten gebleven.
2.4.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseressen hebben nadere stukken overgelegd.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseressen, vergezeld door [naam 1] en [naam 2], en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseressen zijn de eigenaren van de percelen aan de [straatnaam] [huisnummers 1] te [plaats] . Eiseressen hebben voor de voorgevellijn van deze percelen een erfafscheiding van gaas met hedera’s, met een toegangspoort ter hoogte van [adres] , gerealiseerd om de overlast van het aan de overkant gelegen café, drugsgebruikers en de bewoners van het verderop gelegen [park] , tegen te gaan.
3.1.
Het college heeft naar aanleiding van een interne melding van een wethouder een controle uitgevoerd op de percelen van eiseressen. Tijdens de controle is geconstateerd dat op deze percelen een gezamenlijke erfafscheiding is gerealiseerd die hoger is dan toegestaan op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
3.2.
Het college heeft in dit licht op 12, 17 en 19 juli 2023 voornemens tot het opleggen van lasten onder dwangsom aan eiseressen bekendgemaakt. Eiseressen hebben naar aanleiding hiervan op 24 juli 2023 een schriftelijke zienswijze ingediend.
3.3.
Eiseressen hebben op 8 augustus 2023 drie aanvragen om een omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van de gerealiseerde erfafscheiding.
3.4.
Het college heeft de aanvragen aangemerkt als gericht op de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ [1] en het ‘gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ [2] . Het college heeft zich met de primaire besluiten I – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat de erfafscheiding in strijd is met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat het geen gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om ten behoeve van het bouwplan af te wijken van het bestemmingsplan.
3.5.
Omdat het college in de door eiseressen ingediende zienswijze geen aanleiding heeft gezien om van zijn voornemens tot het opleggen van lasten onder dwangsom af te zien, heeft het college met de primaire besluiten II eiseressen gelast om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom van € 2.000,- ineens per perceel.
3.6.
Met het bestreden besluit op de bezwaren van eiseressen is het college bij de primaire besluiten gebleven.
Leeswijzer
4. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiseressen tegen het bestreden besluit hebben aangevoerd. De rechtbank bespreekt eerst het beroep tegen de weigering om de gevraagde omgevingsvergunningen te verlenen. Vervolgens bespreekt de rechtbank het beroep tegen de opgelegde lasten onder dwangsom.
Het beroep tegen de weigering van de gevraagde omgevingsvergunningen
Overgangsrecht Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
5.1.
De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 8 augustus 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Juridisch kader
6. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan [bestemmingsplan] ’ (het bestemmingsplan). De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de bestemming ‘Gemengd’.
6.1.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…)
6.2.
Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de bouwverordening (c) strijd met het bestemmingsplan, of (d) strijd met redelijke eisen van welstand.
6.3.
Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
6.4.
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor een activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen en:
1 °, met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regel inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
6.5.
Artikel 6.2.5, van het bestemmingsplan bepaalt dat voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepalingen gelden:
a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel bedraagt maximaal 1 meter;
b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel bedraagt maximaal 2 meter;
c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2,5 meter.
6.6.
In paragraaf 3.2 van de ‘Beleidsregel inzake toepassing van planologische kruimelgevallen’ (de beleidsregels) is bepaald dat aan erfafscheidingen in afwijking van het bestemmingsplan in beginsel geen medewerking wordt verleend, tenzij door initiatiefnemer in voldoende mate wordt aangetoond dat dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is.
6.7.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Is de erfafscheiding in strijd met het bestemmingsplan?
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de gerealiseerde erfafscheiding in strijd is met artikel 6.2.5, onder a, van de planregels, omdat de erfafscheiding 1,80 meter hoog is, terwijl op grond van deze planregel voor de voorgevel slechts een erfafscheiding van maximaal 1 meter is toegestaan.
Mocht het college besluiten om niet af te wijken van het bestemmingsplan?
8. Eiseressen betogen dat het college gebruik had moeten maken van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo door middel van buitenplanse afwijking, op grond van de zogeheten kruimelregeling. Volgens hen staan daaraan geen ruimtelijke bezwaren in de weg. Eiseressen betwisten dat de erfafscheiding de door het college gestelde negatieve gevolgen voor de omgeving zal meebrengen. De erfafscheiding leidt niet tot ongewenste verdichting, vermindering van de ruimtelijke kwaliteit, of negatieve gevolgen voor de beleving van en het gedrag in de openbare ruimte. Volgens eiseressen is juist sprake van een geordende, nette uitstraling en draagt de erfafscheiding juist bij aan vergroening van de [straatnaam] . Verder voeren eiseressen aan dat ter plaatse – door de komst van (te) veel nieuwe woningen en andersoortige bouwwerken – geen sprake meer is van een historische context, waardoor de erfafscheiding deze historische context ook niet kan schaden.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich, mede gelet op de hem toekomende beleidsruimte, op het standpunt mogen stellen dat de erfafscheiding leidt tot een ongewenste verdichting, vermindering van de ruimtelijke kwaliteit, en negatieve gevolgen heeft voor de beleving van en het gedrag in de openbare ruimte. Het college heeft hierbij kunnen verwijzen naar bijlage 2 van de Nota Omgevingskwaliteit gemeente Zuidplas (de Nota), waaruit blijkt dat de percelen van eiseressen in het gebied ‘buurtschap’ vallen en dat ter plaatse sprake is van een historische dorpskern en een bebouwingslint. Initiatieven in dit gebied vergen volgens de Nota maatwerk vanwege het behoud van het historisch karakter. Het college heeft dan ook van belang kunnen achten dat de erfafscheiding zorgt voor verdichting, terwijl de oorspronkelijke karakteristiek van de entrees aan de
[straatnaam] bestaat uit een opgang/brug en een voorlangs liggende kavelsloot, waardoor het beeld van een open inrichting ontstaat. Daarbij heeft het college ook van belang kunnen achten dat de erfafscheiding zich uitstrekt over drie afzonderlijke percelen, maar wel slechts één toegangspoort bevat, hetgeen evenmin bijdraagt aan het open karakter van de omgeving.
Verder kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat het belang van open zichtlijnen in dit geval nog meer van belang is omdat sprake is van een erfafscheiding op een hoek, bij een kruispunt.
8.2.
Voor zover eiseressen betogen dat de genoemde verdichting ook optreedt wanneer vergunningvrij hogere beplanting zou worden gerealiseerd, overweegt de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de erfafscheiding als een bouwwerk een grotere ruimtelijke uitstraling meebrengt dat vergunningvrije beplanting. De rechtbank betrekt daarbij dat het duurzame karakter van het gaashekwerk zorgt voor een fysieke afsluiting van de percelen die verder gaat dan een afscheiding met beplanting.
8.3.
De rechtbank volgt eiseressen ook niet in hun betoog dat het college meer gewicht had moeten toekennen aan hun belang – het tegengaan van de overlast van het aan de overkant gelegen café, drugsgebruikers en de bewoners van het verderop gelegen [park] – dan aan het door het college gestelde belang van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiseressen niet concreet hebben gemaakt dat het plaatsen van deze erfafscheiding de enige oplossing is om overlast vanuit de omgeving tegen te gaan. Het college heeft er bovendien terecht op gewezen dat het tegengaan van overlast van de omgeving in de eerste plaats een kwestie van handhaving van de openbare orde is. Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
9. Eiseressen betogen dat het weigeren van de gevraagde omgevingsvergunningen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat op zes andere percelen in de omgeving ook erfafscheidingen zijn gerealiseerd die de maximaal toegestane bouwhoogte van 1 meter overschrijden.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat op de door eiseressen genoemde percelen een andere bestemming rust en dat de gerealiseerde erfafscheiding een grotere ruimtelijke uitstraling heeft dan de door eiseressen genoemde erfafscheidingen. Verder zijn voor de door eiseressen genoemde erfafscheidingen geen omgevingsvergunningen verleend. Het college betwist daarom dat sprake is van gelijke gevallen.
9.2.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel zijn er vereisten die voortvloeien uit vaste rechtspraak. Er dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval, dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze.
9.3.
De rechtbank volgt het college niet in het standpunt dat vier van de door eiseressen genoemde gevallen ( [huisnummers 2] ) niet tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kunnen leiden, omdat deze zijn aangedragen na het bestreden besluit en dus bij het nemen van dat besluit niet in de afweging konden worden betrokken. De rechtbank overweegt hiertoe dat het in de beroepsprocedure mogelijk is om een betoog over het gelijkheidsbeginsel met voorbeelden te concretiseren. Dat zou anders zijn als dat – bijvoorbeeld vanwege een laat moment van indiening van stukken – in strijd zou komen met de goede procesorde. Daarvan is in dit geval geen sprake.
9.4.
De rechtbank overweegt dat het beroep van eiseressen op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. In dit geval gaat het om de weigering van gevraagde omgevingsvergunningen, zodat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel sprake moet zijn van vergelijkbare situaties waarin wél een omgevingsvergunning is verleend. Door het college is onbestreden toegelicht dat in de door eiseressen genoemde gevallen, geen omgevingsvergunningen zijn verleend. Alleen al daarom is geen sprake van gelijke gevallen. Verder kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat ook vanwege de ruimtelijke uitstraling van de erfafscheiding op de percelen van eiseressen geen sprake is van gelijke gevallen. In de door eiseressen genoemde gevallen is sprake van één toegangspoort per perceel, waarbij de erfafscheiding in bijna alle gevallen een terugliggende ligging heeft ten opzichte van de openbare weg. Nu de gerealiseerde erfafscheiding voor drie percelen slechts één toegangspoort heeft én direct aan de openbare weg is gelegen, overweegt de rechtbank dat de gerealiseerde erfafscheiding ook een grotere ruimtelijke uitstraling heeft dan de door eiseressen genoemde erfafscheidingen. Het betoog slaagt niet.
Dienstbaarheidsbeginsel
10. Voor zover eiseressen wijzen op het dienstbaarheidsbeginsel, dat overigens nog niet is opgenomen in de Awb, overweegt de rechtbank dat het beginsel dat een bestuursorgaan zich bij de uitoefening van zijn taak dienstbaar opstelt, niet betekent dat het college gehouden zou zijn om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunningen te verlenen.
Tussenconclusie
11. De conclusie van het voorgaande is dat het beroep tegen de weigering van de gevraagde omgevingsvergunningen, ongegrond is. Dat betekent dat de weigering van het college om eiseressen de drie omgevingsvergunningen te verlenen in stand blijft.
Het beroep tegen de opgelegde lasten onder dwangsom
Overgangsrecht Omgevingswet
12. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
12.1.
De lasten onder dwangsom zijn op 12 december 2023 opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Is sprake van overtredingen?
13. Zoals overwogen onder 7., is tussen partijen niet in geschil dat sprake is van overtredingen omdat de gerealiseerde erfafscheiding 1,80 meter hoog is, terwijl op grond van artikel 6.2.5, onder a, van de planregels slechts een erfafscheiding van maximaal 1 meter is toegestaan. Nu de erfafscheiding is gerealiseerd zonder dat hiervoor de vereiste omgevingsvergunningen zijn verleend, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat door het zonder omgevingsvergunning bouwen van de genoemde bouwwerken het verbod van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is overtreden. Het college is daardoor in beginsel bevoegd om handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaving
14. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [3]
Mocht het college handhavend optreden naar aanleiding van een interne melding?
15. Eiseressen betogen dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. Eiseressen voeren hiertoe aan dat het college op grond van zijn handhavingsbeleid enkel handhavend mag optreden naar aanleiding van een handhavingsverzoek. Nu het college handhavend optreedt naar aanleiding van een interne melding van een wethouder wijkt het volgens eiseressen af van zijn handhavingsbeleid en is sprake van willekeur, hetgeen leidt tot misbruik van bevoegdheid. Volgens eiseressen heeft het college tijdens de zitting bij de bezwaarschriftencommissie ook aangegeven dat enkel wordt gehandhaafd op basis van een handhavingsverzoek van omwonenden. Eiseressen hebben dit betoog ter zitting onderbouwd met een verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 januari 2026. [4]
15.1.
De rechtbank ziet in het feit dat naar aanleiding van een interne melding van een wethouder ambtshalve handhavend is opgetreden geen grond voor het aannemen van willekeur of misbruik van bevoegdheid. In het handhavingsbeleid van de gemeente Zuidplas [5] leest de rechtbank niet dat alleen handhavend kan worden opgetreden op basis van handhavingsverzoek. Eiseressen hebben niet concreet gemaakt uit welke passages van het handhavingsbeleid een dergelijke beperking van de bevoegdheid tot handhaving zou volgen. Dat een gemachtigde van het college het handhavingsbeleid op de hoorzitting in bezwaar aldus heeft uitgelegd, leest de rechtbank niet in het van de hoorzitting gemaakte verslag. De gemachtigde van het college heeft blijkens het verslag van de hoorzitting over andere erfafscheidingen aan de [straatnaam] opgemerkt dat, vanwege de beperkte capaciteit, niet kan worden verwacht dat daartegen ambtshalve handhavend zal worden opgetreden. Verder heeft de gemachtigde desgevraagd toegelicht dat handhavingscontroles niet op de planning staan als er geen klacht/melding wordt gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is ambtshalve handhavend optreden op basis van een interne melding van een wethouder op zichzelf niet in tegenspraak met deze toelichting.
15.2.
De rechtbank ziet in de door eiseressen aangehaalde uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 januari 2026 ook geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden op basis van een interne melding in strijd is met het handhavingsbeleid van de gemeente Zuidplas. In deze uitspraak van de rechtbank Overijssel wordt onder meer overwogen dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo als beleid hanteert dat alleen handhavend wordt opgetreden naar aanleiding van handhavingsverzoeken en meldingen. In het handhavingsbeleid van de gemeente Hengelo waarop deze uitspraak betrekking heeft staat ook dat enkel op basis van een melding actie wordt ondernomen. Dit wordt een ‘piepsysteem’ genoemd. Zoals hiervoor overwogen leest de rechtbank deze beperking niet in het handhavingsbeleid van de gemeente Zuidplas.
Is sprake van concreet zicht op legalisatie?
16. Voor zover eiseressen betogen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie omdat op 8 augustus 2023 drie aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend ter legalisatie van de gerealiseerde erfafscheiding voor de voorgevellijn van het pand aan de
[straatnaam] [huisnummers 1] , slaagt dit betoog niet. Het college heeft geweigerd de gevraagde omgevingsvergunningen te verlenen, omdat het niet bereid is daarvoor af te wijken van het bestemmingsplan. Die omstandigheid is op zichzelf voldoende om aan te nemen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Het beroep van eiseressen tegen de weigering de omgevingsvergunningen te verlenen is door de rechtbank in deze uitspraak ongegrond verklaard.
Is om een andere reden sprake van bijzondere omstandigheden?
17. Eiseressen betogen dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het college van handhavend optreden had moeten afzien. Volgens hen is handhaving in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
17.1.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college een zwaarder gewicht toekennen aan het algemeen belang dat gediend is met handhaving van het bestemmingsplan dan aan de belangen van eiseressen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe, aan de hand van de door eiseressen naar voren gebrachte omstandigheden.
Gelijkheidsbeginsel
18. Volgens eiseressen zijn de handhavingsbesluiten in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat op zes andere percelen in de omgeving ook erfafscheidingen zijn gerealiseerd die de maximaal toegestane bouwhoogte van 1 meter overschrijden, waartegen het college niet handhavend optreedt.
18.1.
Het college heeft gereageerd op de door eiseressen genoemde gevallen en stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Het college heeft niet bewust afgezien van handhavend optreden in de door eiseressen aangedragen gevallen. Daarbij wijst het college erop dat bij handhaving prioriteitstelling is toegestaan.
18.2.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een (in feitelijke en juridische zin) gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze. Het gelijkheidsbeginsel vergt dat in gevallen waarin door verschillende overtreders een reeks van vergelijkbare overtredingen plaats vindt, een consistent en doordacht bestuursbeleid gevoerd wordt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van handhavend optreden in rechtens gelijke gevallen. Ook mag prioritering inhouden dat bij bepaalde overtredingen alleen naar aanleiding van een klacht of een verzoek van een belanghebbende wordt beoordeeld of handhavend moet worden opgetreden. [6]
18.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het college tegen een overtreding met prioriteit ambtshalve handhavend kan optreden, ook als er geen sprake is van handhavingsverzoek. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de gerealiseerde erfafscheiding van eiseressen, in tegenstelling tot de door eiseressen genoemde gevallen, een dusdanig negatieve impact heeft op de fysieke leefomgeving dat ambtshalve handhavend optreden nodig is. Het college heeft daarbij ook aangegeven dat dit niet betekent dat in de door eiseressen genoemde gevallen helemaal niet handhavend opgetreden zal worden. De rechtbank is van oordeel dat dit prioriteringsbeleid waarbij bij een interne melding in combinatie met een grotere ruimtelijke instraling een hogere prioriteit aan een overtreding wordt toegekend, niet onredelijk is. Aan de omstandigheid dat de toezichthouder bij de eerste inschatting op een formulier heeft aangekruist dat geen spoed bestond voor handhavend optreden tegen de erfafscheiding, komt niet het gewicht toe dat eiseressen daaraan toekennen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld een eerste inschatting van een toezichthouder niet doorslaggevend is voor de afweging die het college dient te maken bij het nemen van een besluit over handhavend optreden. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college in strijd heeft gehandeld met consistent en doordacht bestuursbeleid. Het betoog slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
19. Over het betoog van eiseressen dat moet worden afgezien van handhavend optreden, omdat de erfafscheiding noodzakelijk is om de overlast en onveiligheid te verminderen, overweegt de rechtbank dat het college zich, mede gelet op de ruimtelijke uitstraling van de erfafscheiding, terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst. De rechtbank begrijpt dat eiseressen overlast en onveilige situaties zoveel mogelijk willen voorkomen, maar dat is onvoldoende om in strijd met het bestemmingsplan te bouwen. De rechtbank overweegt daarbij ook, zoals overwogen onder 8.3, dat eiseressen niet concreet hebben gemaakt dat het plaatsen van deze erfafscheiding de enige oplossing is om overlast vanuit de omgeving tegen te gaan. Bovendien hebben eiseressen onvoldoende concreet gemaakt waarom met een erfafscheiding van 1 meter in combinatie met beplanting niet tegemoet kan worden gekomen aan hun belang bij het maken van een erfafscheiding die overlast vermindert en veiligheid verbetert. Het betoog slaagt niet.
Dienstbaarheidsbeginsel
20. Voor zover eiseressen met betrekking tot de handhavingsbesluiten opnieuw wijzen op het dienstbaarheidsbeginsel, dat nog niet is opgenomen in de Awb, overweegt de rechtbank dat het beginsel dat een bestuursorgaan zich bij de uitoefening van zijn taak dienstbaar opstelt, niet betekent dat het college niet mag overgaan tot handhavend optreden tegen illegale bouwwerken. Ook het dienstbaarheidsbeginsel is dus niet aan te merken als bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving. Het betoog slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
21. Eiseressen verzoeken om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
21.1.
In een zaak als deze is een bestuursrechtelijke procedure niet binnen een redelijke termijn afgerond als er meer dan twee jaren zijn verstreken tussen het maken van bezwaar en het doen van uitspraak in de beroepsprocedure. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het college een half jaar de tijd heeft om op het bezwaar te beslissen en de rechtbank anderhalf jaar heeft om op een beroep te beslissen. Voor de overschrijding van de redelijke termijn geldt per half jaar, of een gedeelte daarvan, een vergoeding van € 500,-.
21.2.
De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het college het (eerste) bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat was op 27 november 2023. In de uitspraak van vandaag beslist de rechtbank op het beroep. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift zijn (afgerond) twee jaar en zes maanden verstreken. Eiseressen hebben dus recht op een bedrag aan schadevergoeding van € 500,-.
21.3.
De behandeling van het bezwaar heeft vanaf de ontvangst van het (eerste) bezwaarschrift op 27 november 2023 tot de datum van het bestreden besluit, 4 juni 2024, afgerond naar boven zeven maanden geduurd. De redelijke termijn in bezwaar van zes maanden is daarmee met één maand overschreden. Tot de datum van deze uitspraak heeft de beroepsprocedure afgerond naar boven drieëntwintig maanden geduurd. De redelijke termijn in beroep van achttien maanden is daarmee met vijf maanden overschreden.
21.4.
Van het bedrag aan schadevergoeding komt 1/6e deel (€ 83,33) voor rekening van het college en 5/6e deel (€ 416,67) voor rekening van de Staat.
21.5.
De Staat der Nederlanden is partij in deze zaak door het verzoek van eiseressen om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn. Omdat het bedrag aan schadevergoeding minder de € 5.000,- is, hoeft de Minister van Veiligheid en Justitie niet op dit verzoek te reageren. [7]

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten, met uitzondering van de gemaakte kosten in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
22.1.
De proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank vast op € 233,50 (1 punt × € 934,- × 0,25). Van dit bedrag komt 1/6e deel (€ 38,92) voor rekening van het college en 5/6e deel (€ 194,58) voor rekening van de Staat.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseressen tot een bedrag van € 83,33 wegens het overschrijden van de redelijke termijn in bezwaar;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseressen tot een bedrag van € 416,67 wegens het overschrijden van de redelijke termijn in beroep;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseressen in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 38,92;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser in verband met het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 194,58.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
2.Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
5.Handhavingsbeleid Bouw- en woningtoezicht 2016-2020 Gemeente Zuidplas, (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR406471).
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3256.
7.Zie de beleidsregel van 8 juni 2014, Staatscourant 2014, 20210.