Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15428

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL25.2739
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 4:17 AwbArt. 8:55c AwbVerordening (EG) nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij afwijzing visumaanvraag kort verblijf

Eiser, een Marokkaanse student Arabisch recht, vroeg op 27 juni 2024 een visum voor kort verblijf aan om familie te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag op 22 juli 2024 af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Marokko, waardoor twijfel bestond over zijn terugkeer.

Eiser maakte bezwaar, maar verweerder verklaarde dit op 28 december 2024 kennelijk ongegrond zonder eiser te horen. Eiser stelde verweerder in gebreke en startte op 19 januari 2025 beroep bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden, terwijl eiser voldoende bewijsstukken over zijn studie en binding had overgelegd.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, stelt een termijn van acht weken voor een nieuw besluit en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten en een dwangsom wegens de overschrijding van de beslistermijn. De uitspraak benadrukt het belang van de hoorplicht in bezwaarprocedures en dat twijfel over de studie en binding niet zonder meer kan leiden tot het niet horen van de aanvrager.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.2739
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

geboren op [geboortedag] 2002, van Marokkaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. Š. Petković),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat eiser ten onrechte niet in bezwaar is gehoord. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 27 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1.
Eiser heeft verweerder op 6 december 2024 in gebreke gesteld.
2.2.
Met het besluit van 28 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog op het bezwaar van eiser beslist en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft op 19 januari 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 17 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. L. Hu, als waarneemster van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het griffierecht
3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De griffier heeft het verzoek om vrijstelling eerder al voorlopig toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht definitief toe.
Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit
Achtergrond
4. Eiser is geboren op [geboortedag] 2002, woont in Marokko en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft een visum aangevraagd om op bezoek te gaan bij [referent] (referent) in de periode van 10 augustus 2024 tot en met 25 augustus 2024. In het ‘Bewijs van garantstelling en/of Particuliere logiesverstrekking’ heeft referent verklaard dat hij een schoonbroer is van eiser. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij Arabisch recht studeert aan de Universiteit [naam] (hierna: de universiteit).
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Hierdoor bestaat er redelijke twijfel over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. Meer specifiek over de economische binding stelt verweerder zich op het standpunt dat uit de stukken die eiser heeft overgelegd niet volgt dat hij zijn studie actief volgt. Zelfs indien zou zijn aangetoond dat de eiser de studie daadwerkelijk en actief volgt, wordt in overweging genomen dat uit het volgen van een studie niet automatisch een sterke binding met het land van herkomst voortvloeit. Een studie kan namelijk gemakkelijk worden afgebroken, onderbroken en elders of later worden hervat. Niet is vast komen te staan dat eiser een dusdanige waarde hecht aan deze opleiding om op basis daarvan tijdig naar Marokko terug te keren. Omdat het volgens verweerder meteen duidelijk is dat het bezwaar van eiser niet kan leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit, heeft verweerder afgezien van het horen van eiser. Tot slot heeft verweerder overwogen dat, hoewel eiser hem terecht in gebreke heeft gesteld, geen dwangsom betaald hoeft te worden omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
Het juridisch kader
6. In artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii) en b, van de Visumcode [1] staat dat een visum wordt geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. [2] Verweerder kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
Hoorplicht
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet door verweerder is gehoord. Eiser heeft met de overgelegde stukken op zijn minst een begin van bewijs geleverd om zijn studie en dus zijn economische binding aan te tonen. Als dit ontoereikend was had het op de weg van verweerder gelegen om eiser tijdens een hoorzitting of schriftelijk te informeren over welke aanvullende bewijsstukken of informatie van hem werd verwacht.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [3] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser met betrekking tot zijn studie bij de aanvraag onder andere een studentenkaart van studiejaar 2021/2022 en een registratiecertificaat van de universiteit van 12 juni 2024 met betrekking tot het studiejaar 2023/2024 heeft overgelegd. In bezwaar heeft eiser wederom een registratiecertificaat van de universiteit overgelegd. Dit registratiecertificaat is van 19 september 2024 en ziet op het studiejaar 2024/2025. Verder heeft eiser drie afschriften van zijn cijferlijsten overgelegd, van de studiejaren 2021/2022, 2022/2023 en 2023/2024. Volgens eiser volgt hieruit dat zijn cijfers in het eerste jaar voldoende toereikend waren om over te gaan naar het tweede jaar.
7.3.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat in het geval van eiser niet gezegd kan worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Eiser heeft volgens de rechtbank voldoende inspanningen verricht om de door verweerder verlangde informatie te verkrijgen en inzichtelijk te maken. Daar komt bij dat verweerder kennelijk de overgelegde stukken niet juist heeft gelezen, omdat uit de overgelegde registratiekaarten – anders dan verweerder stelt – wél duidelijk volgt op welke studiejaren de registratiekaarten zien, namelijk 2023/2024 en 2024/2025. Een hoorzitting had dan ook de onduidelijkheid bij verweerder over de studie(jaren) kunnen wegnemen. Datzelfde geldt voor de cijferlijsten waarvan verweerder het onduidelijk vindt of hieruit inderdaad volgt of eiser toereikende cijfers heeft behaald en nog steeds de gestelde studie actief volgt. De subsidiaire stelling van verweerder dat zelfs al zou eiser hebben aangetoond dat hij de studie actief volgt, hier niet automatisch een sterke binding met het land van herkomst uit voortvloeit, omdat een studie makkelijk kan worden afgebroken, onderbroken en elders of later kan worden hervat (en eiser daarom niet had hoeven te worden gehoord), volgt de rechtbank zonder nadere motivering niet. Het betreft hier immers een studie Arabisch recht, waarvan niet zondermeer gesteld kan worden dat deze elders kan worden gevolgd. Dat deze studie makkelijk kan worden afgebroken of onderbroken volgt eveneens uit niets. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet mogen oordelen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en had verweerder eiser in bezwaar moeten horen.
7.4.
De beroepsgrond slaagt. Dat betekent dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen en verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen.
Het nieuw te nemen besluit
8. In het kader van de finale geschillenbeslechting merkt de rechtbank nog het volgende op. Zoals op de zitting duidelijk is geworden, blijkt uit de overgelegde afschriften van de cijferlijsten dat eiser wel degelijk vakken heeft behaald, met name in het studiejaar 2021/2022. Daarnaast blijkt uit de in beroep overgelegde afschriften dat eiser eveneens vakken heeft behaald in het studiejaar 2024/2025. Deze stukken bieden steun aan het standpunt van eiser dat hij zijn studie daadwerkelijk voortzet en wel degelijk waarde hecht aan zijn opleiding en de afronding ervan. Verweerder dient deze stukken bij het nieuw te nemen besluit te betrekken.
Bestuurlijke dwangsom
9. Omdat de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren, heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat hij geen dwangsom aan eiser verschuldigd was op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb [4] .
9.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ingebrekestelling van eiser van 6 december 2024 geldig is. Conform artikel 4:17, derde lid, van de Awb, is vanaf 20 december 2024, namelijk twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling, een dwangsom verschuldigd. Verweerder heeft op 28 december 2024 een beslissing op bezwaar genomen. Op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, is verweerder eiser dus over zeven dagen een dwangsom verschuldigd is. Dat komt neer op een totaalbedrag van € 161,- (zeven dagen x € 23,-). [5]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
12. Omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen worden verklaard, heeft eiser recht op een dwangsom. Deze dwangsom is vastgesteld op € 161,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 28 december 2024;
  • draagt verweerder op binnen 8 na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser;
  • stelt de door verweerder aan eiser te betalen dwangsom vast op € 161,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 810/2009.
2.Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
3.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu op grond van artikel 8:55c van de Awb.