Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15469

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3635
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 Wmo 2015Art. 1.2.1 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 8 EVRMArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek maatschappelijke opvang op grond van Wmo 2015 wegens zelfredzaamheid

Verzoeker heeft op 16 maart 2026 een aanvraag ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor maatschappelijke opvang voor hem en zijn gezin op grond van de Wmo 2015. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoeker naar het oordeel van het college voldoende zelfredzaam is en niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang behoort. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 behandeld en beoordeeld of sprake is van spoedeisend belang en of verzoeker recht heeft op opvang. Hoewel verzoeker en zijn gezin momenteel geen vaste verblijfplaats hebben en tijdelijk in een hotel verblijven, is vastgesteld dat verzoeker geen beperkingen ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, maar vooral een huisvestingsprobleem heeft door schaarste op de woningmarkt.

De medische situatie van het jongste kind is onderzocht, maar er is geen acute noodzaak voor opvang gebleken. Het college heeft de belangen van de kinderen meegewogen en een zorgvuldige afweging gemaakt tussen publieke belangen en de belangen van verzoeker en zijn gezin. De voorzieningenrechter concludeert dat het college terecht heeft besloten geen maatschappelijke opvang toe te kennen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker en zijn gezin voldoende zelfredzaam zijn en niet tot de doelgroep van maatschappelijke opvang behoren.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3635

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. O. Sahin),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: J.A. Bogaards).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college de aanvraag van verzoeker om opvang voor hem en zijn gezin op grond van de Wmo 2015 [1] terecht heeft afgewezen. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom bezwaar ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft zich op 16 maart 2026 bij het college gemeld voor opvang voor hem en zijn gezin op grond van de Wmo 2015. Bij besluit van 23 maart 2026 heeft het college verzoeker meegedeeld dat uit de gesprekken is gebleken dat hij niet voldoet aan de voorwaarden om langdurig toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang in Den Haag. Het college heeft vanaf de meldingsdatum zes weken de tijd om onderzoek te doen en een advies te maken. De onderzoeksperiode loopt tot 27 april 2026. Verzoeker heeft aangegeven geen slaapplaats meer te hebben voor hem en zijn gezin. Zij zullen daarom worden opgevangen in een hotel voor de duur van het onderzoek, tot uiterlijk 27 april 2026.
2.1.
De resultaten van het onderzoek heeft het college neergelegd in een advies van 23 april 2026. Kort samengevat is naar aanleiding van het onderzoek het advies dat verzoeker geen Wmo-voorziening (opvang) krijgt.
2.2.
Bij het bestreden besluit van 24 april 2026 heeft het college het besluit van 23 maart 2026 vervangen waarbij enkel de einddatum van de tijdelijke opvang is gewijzigd naar 1 mei 2026. Het college blijft er bij dat verzoeker en zijn gezin niet voldoen aan de voorwaarden om langdurig toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang in Den Haag. Uit coulance is verzoeker met zijn gezin tijdens de onderzoeksperiode opgevangen in de maatschappelijke opvang.
2.3.
Verzoeker heeft bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, S. Mahed, tolk, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker is in 1982 geboren in [geboorteland] en heeft van 2008 tot 2015 gewoond in Den Haag. In 2015 is hij vertrokken naar Kenia vanwege de zorg voor zijn moeder. Op 1 januari 2016 is hij getrouwd met zijn echtgenote volgens de Islamitische wet. In 2024 heeft hij zijn huwelijk wettelijk geregistreerd. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren, [minderjarige 1] op [geboortedatum 1] 2017, [minderjarige 2] op [geboortedatum 2] 2019 en [minderjarige 3] op [geboortedatum 3] 2025. Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit. Ook [minderjarige 3] heeft de Nederlandse nationaliteit. Verzoekers echtgenote, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Keniaanse nationaliteit. Op 12 maart 2026 is verzoeker samen met zijn gezin naar Nederland gekomen vanuit Kenia. Zij verbleven na aankomst bij vrienden van verzoeker op drie verschillende adressen. Op 16 maart 2026 heeft verzoeker zich met zijn gezin gemeld bij het Daklozenloket van de gemeente Den Haag met het verzoek om tot de maatschappelijke opvang te worden toegelaten.
4. Het college heeft de aanvraag van verzoeker om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Het college acht verzoeker voldoende zelfredzaam. Hij behoort daarom niet tot de doelgroep van de Wmo 2015 [2] . Verzoeker dient zelf in onderdak voor hem en zijn gezin te voorzien.
5. Verzoeker is het niet eens met dit besluit. Hij wil met zijn verzoek bereiken dat hij en zijn gezin tot de maatschappelijke opvang worden toegelaten tot zij passende woonruimte hebben gevonden.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
6.1.
Verzoeker en zijn gezin hebben geen vaste verblijfplaats. Momenteel verblijven zij in een hotel dat het college heeft geregeld. Dit verblijf eindigt op 4 juni 2026. Verzoeker kan niet werken zolang hij geen vaste woonplaats of briefadres heeft. De aanvraag om een bijstandsuitkering en briefadres is nog in behandeling. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Zelfredzaamheid
8. Voor een recht op opvang is bepalend of verzoeker in staat is zich te handhaven in de samenleving. Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit de artikelen 1.2.1, aanhef en onder c, en artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015. Gelet op de hulpvraag van verzoeker houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of hij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor hem en zijn kinderen te voorzien. Met andere woorden: verzoeker kan pas aanspraak maken op opvang als hij geen onderdak heeft door problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.
8.1.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college op juiste gronden besloten dat verzoeker zelfredzaam is. Uit zowel hetgeen in het Wmo-advies is opgesteld, als uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd in deze procedure, blijkt dat verzoeker slechts beperkingen ervaart bij het vinden van een woning voor hem en zijn gezin.
Het college heeft deugdelijk onderzoek verricht naar de hulpvraag van verzoeker en zijn gezin. Blijkens het advies van 23 april 2026 is gekeken naar de persoonlijke situatie van verzoeker en zijn gezin aan de hand van verschillende leefgebieden (financiën, werk&opleiding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, basale ADL, instrumentele ADL, sociaal netwerk, justitie, lichamelijke verzorging en sociaal-emotionele ondersteuning, opvang, scholing en ondersteuning bij het huishouden). Tijdens het intakegesprek op 16 maart 2026 heeft verzoeker onder andere aangegeven dat hij bij terugkeer naar Nederland verwachtte dat hij en zijn gezin zouden worden opgevangen en dat hij hier zou kunnen werken. De belangrijkste reden voor terugkeer is dat hij in Kenia geen werk en inkomen meer had. Hij wil zo snel mogelijk een eigen inkomen vanuit werk. Er is geen sprake van middelengebruik of verslaving, schulden of geestelijke klachten. Verzoeker heeft zich zelfstandig kunnen redden in Kenia vanaf 2015 tot zijn vertrek naar Nederland. Hij had samen met zijn moeder een bedrijf (supermarkt in levensmiddelen) in Kenia, hij kon rondkomen van de omzet, hij had een huurhuis en samen met zijn echtgenote zorgde hij voor de kinderen. Er waren geen opvoedproblemen. Zijn moeder is overleden in januari 2024 en verzoeker heeft verklaard dat het bedrijf daarna failliet is gegaan. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat het bedrijf is verwoest door een brand. Hij heeft daarna acht maanden geen inkomen gehad in Kenia maar heeft zich toch zelfstandig kunnen redden. Met (financiële) hulp van vrienden hebben ze vliegtickets van 1.700 dollar kunnen kopen om naar Nederland te gaan. Na aankomst heeft verzoeker de weg naar het Daklozenloket weten te vinden en daarnaast hulp gekregen van stichting Soneca. Verzoeker heeft verder de Nederlandse nationaliteit. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij werk kan zoeken zodra hij een briefadres heeft. Er kan daarom niet worden geoordeeld dat verzoeker beperkt is in zijn doen- en regievermogen.
Het feit dat verzoeker geen stabiel onderdak kan vinden is dan ook niet het gevolg van problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. Die omstandigheid wijst er eerder op dat sprake is van schaarste op de woningmarkt. Hoewel de voorzieningenrechter inziet dat het hierdoor in de praktijk moeilijk is voor verzoeker om een betaalbare woning te vinden, is de Wmo 2015 niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. [3]
8.3.
Daarnaast is niet gebleken dat voor verzoeker een acute noodzaak bestond om onvoorbereid naar Nederland te komen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat zijn echtgenote in november 2024 in Kenia een visum heeft aangevraagd in verband met het Chavez verblijfsrecht. In februari 2025 kreeg zijn echtgenote een visum toegekend. Verzoeker was na de geboorte van [minderjarige 3] (mei 2025) van plan om naar Nederland te gaan voor medisch onderzoek vanwege een huidziekte bij [minderjarige 3] . Dit alles duidt niet op een acute noodzaak voor vertrek naar Nederland.
Voor zover verzoeker stelt dat de acute noodzaak is gelegen in de medische situatie van [minderjarige 3] , is dat niet aannemelijk gemaakt. In de door verzoeker overgelegde medische verklaring van een kinderarts van 9 december 2025 staat dat [minderjarige 3] prematuur is geboren met 34 weken en dat zij onder behandeling is voor ‘laryngomalacia’ en ‘gastroesophageal reflux disease’. Zij krijgt momenteel ‘nexium sachets 5 mg’. Verder heeft ze alle vaccinaties ontvangen conform de Keniaanse richtlijnen. Zij is hiervoor ook in Kenia door een arts gezien. Verzoeker heeft verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [minderjarige 3] medische behandelingen heeft ondergaan voor acute medische klachten in Nederland. Er is enkel een brief overgelegd van 10 april 2026 ter bevestiging van een afspraak bij Polikliniek Kindergeneeskunde op 20 mei 2026 voor [minderjarige 3] .
8.4.
Uit het voorgaande volgt dat verzoeker vooral een huisvestingsprobleem heeft, enerzijds veroorzaakt door zijn onvoorbereide komst naar Nederland en anderzijds door het woningtekort alhier (en met name in de regio Den Haag).
Belangen van het kind
9. Ondanks dat verzoeker niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang behoort kunnen er toch redenen zijn om het college op te dragen hem tot die opvang toe te laten in verband met de zwaarwegende belangen van hem en zijn gezin.
9.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat artikel 8 van Pro het EVRM [4] geen recht op woonruimte garandeert. [5] Het college is dus niet al op voorhand op die grond verplicht om verzoeker, ondanks zijn zelfredzaamheid, opvang te bieden. Wel zal in zaken als deze moeten worden beoordeeld of met het bestreden besluit een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van verzoeker en zijn gezin om toegelaten te worden tot die opvang en de publieke belangen die betrokken zijn bij het niet verstrekken van die opvang.
9.2.
Artikel 3 van Pro het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen.
9.3
Anders dan verzoeker heeft aangevoerd, volgt uit het Wmo-advies dat het college zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen als hiervoor bedoeld en deze belangen uitgebreid heeft meegewogen. Daarbij is per kind gekeken naar de veiligheid, stabiliteit, gezondheid, onderwijscontinuïteit en ontwikkeling en is aan elk onderdeel een bepaald gewicht toegekend (minder zwaarwegend, gemiddeld zwaarwegend, zwaarwegend). Er zijn geen zwaarwegende belangen uitgekomen. Van ernstige medische klachten bij [minderjarige 3] is niet gebleken. Verder heeft verzoeker zelf aangegeven dat hij geen problemen ervaart bij de opvoeding van de kinderen. Hij en zijn echtgenote hebben altijd voor de kinderen gezorgd en dit doen zijn nog steeds.
De belangen van de kinderen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht anders te beslissen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van de kinderen met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker waarbij, wederom, van belang is dat hij zelfredzaam te achten is.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker en zijn gezin niet worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
- de griffier is verhinderd
om te tekenen -
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wmo 2015 = Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
2.Wmo 2015 = Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 4 december 2025, ECLI:NL:CRVB:1797.
4.EVRM = Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 december 2025,