Verzoeker heeft op 16 maart 2026 een aanvraag ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor maatschappelijke opvang voor hem en zijn gezin op grond van de Wmo 2015. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoeker naar het oordeel van het college voldoende zelfredzaam is en niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang behoort. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 behandeld en beoordeeld of sprake is van spoedeisend belang en of verzoeker recht heeft op opvang. Hoewel verzoeker en zijn gezin momenteel geen vaste verblijfplaats hebben en tijdelijk in een hotel verblijven, is vastgesteld dat verzoeker geen beperkingen ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, maar vooral een huisvestingsprobleem heeft door schaarste op de woningmarkt.
De medische situatie van het jongste kind is onderzocht, maar er is geen acute noodzaak voor opvang gebleken. Het college heeft de belangen van de kinderen meegewogen en een zorgvuldige afweging gemaakt tussen publieke belangen en de belangen van verzoeker en zijn gezin. De voorzieningenrechter concludeert dat het college terecht heeft besloten geen maatschappelijke opvang toe te kennen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.