ECLI:NL:RBDHA:2026:15474
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening IOAZ-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft op 27 november 2025 een aanvraag ingediend voor een IOAZ-uitkering, welke door het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn is afgewezen op 3 maart 2026 vanwege onduidelijkheid over zijn woon- en verblijfplaats. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 21 mei 2026, waarbij partijen afwezig waren. De kernvraag was of er sprake was van een spoedeisend belang, noodzakelijk voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker gaf aan per 3 maart 2026 een baan te hebben gevonden, waardoor het belang zich beperkte tot de periode daarvoor.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang in de regel geen spoedeisend belang oplevert. De door verzoeker overgelegde aanmaningen en boetes betroffen financiële verplichtingen uit 2025, maar er was geen acute financiële noodsituatie of onomkeerbare situatie aangetoond. Ook was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van het besluit.
De uitspraak is gedaan op 4 juni 2026 door voorzieningenrechter L.C. Bannink en griffier H.J. Verspuij-Fung. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.