ECLI:NL:RBDHA:2026:1552

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL25.42100
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na beëindiging tijdelijke bescherming vreemdeling

De zaak betreft een verzoek van een vreemdeling die bezwaar maakte tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie dat zijn recht op tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en dat de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt op 4 september 2025. Vanaf die datum mag de vreemdeling niet meer werken en moet hij binnen vier weken vertrekken uit de opvang en Nederland.

De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de gevolgen van het besluit tijdelijk te staken. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep op 20 januari 2026 behandeld.

Na de behandeling van het beroep is door de rechtbank uitspraak gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep op het besluit reeds is behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42100

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Procesverloop

1. Bij besluit van 8 augustus 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser bericht dat zijn recht op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat op 4 september 2025 de zogenoemde tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Eiser mag vanaf laatstgenoemde datum niet meer werken en heeft vanaf deze datum vier weken de tijd om te vertrekken uit de opvang en uit Nederland. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep met zaaknummer NL25.42099, op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.42099, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.2.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veenstra – van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.