AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verdeling gezamenlijke woning na beëindiging relatie met regeling verkoop en gebruik
Partijen, voormalige partners zonder samenlevingscontract, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. Na beëindiging van hun relatie in mei 2025 is de man uit de woning vertrokken, terwijl de vrouw met hun minderjarige zoon is blijven wonen. De man vordert verdeling van de woning, waarbij de vrouw de woning kan overnemen tegen taxatiewaarde, anders verkoop aan een derde. De vrouw verzoekt de verdeling uit te stellen vanwege financiële onmogelijkheid en het belang van het kind.
De rechtbank oordeelt dat geen bindende overeenkomst tot uitstel van verdeling is gesloten. Het belang van de man bij verdeling en verkoop weegt zwaarder dan het belang van de vrouw om in de woning te blijven. De woning wordt verkocht aan een derde, waarbij de verkoopprijs bindend wordt vastgesteld door een makelaar die door partijen gezamenlijk wordt aangewezen.
De vrouw draagt de eigenaarslasten sinds mei 2025, maar zij hoeft geen gebruiksvergoeding te betalen aan de man omdat deze wordt verrekend met zijn aandeel in de lasten. De hypothecaire lening wordt afgelost uit de verkoopopbrengst, waarna de vrouw wordt gecompenseerd voor haar aflossingen en de resterende overwaarde wordt gelijk verdeeld. De kosten van verkoop en procedure worden door partijen ieder voor de helft gedragen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt verkoop van de gezamenlijke woning aan een derde met bindende taxatie en wijst het verzoek tot uitstel van verdeling af.
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaak- en rolnummer: C/09/694738 / HA ZA 25-1023
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[de man],
te [woonplaats 1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. I. van Meeteren te Den Bosch,
tegen
[de vrouw],
te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M.M. Menheere te Den Haag.
Partijen zullen hierna ‘de man’ en ‘de vrouw’ worden genoemd.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 november 2025, met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 en 2;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens voorwaardelijke eis in conventie, met producties 3 en 4;
- het tussenvonnis van 28 januari 2026 waarin een datum voor het houden van een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 7 april 2026 plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen over en weer hun standpunten verder toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben gezegd. Nadat partijen te kennen hebben gegeven dat zij alles hebben verklaard wat zij van belang achten is de mondelinge behandeling geschorst om partijen gelegenheid te geven te overleggen over een regeling. Na hervatting van de mondelinge behandeling hebben partijen de rechtbank verzocht vonnis te wijzen.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2.Waar gaat deze zaak over?
Partijen hebben gezamenlijk een koopwoning. In deze zaak is aan de orde de vraag of de woning moet worden verdeeld en aan een derde moet worden verkocht of dat de verdeling van de woning voor een bepaalde periode moet worden uitgesloten.
3.De feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. In mei 2025 is hun relatie geëindigd. Zij hebben geen samenlevingscontract.
3.2.
Partijen hebben samen een minderjarige zoon (hierna: [minderjarige]). Zij hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige]. [minderjarige] zit in groep 8 van de basisschool. In september 2026 gaat [minderjarige] naar de middelbare school.
3.3.
[minderjarige] is om de week een weekend bij de man. De man woont met zijn nieuwe partner en haar kinderen in [plaats 2]. Hij werkt in [plaats 1] en rijdt iedere werkdag ongeveer 200 kilometer met de auto van [plaats 2] naar [plaats 1] en weer terug.
3.4.
Partijen zijn op 8 januari 2018, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar geworden van de woning aan de [adres] te [plaats 3] (hierna: de woning). Partijen hebben de aankoop van de woning gefinancierd bij Nationale Nederlanden met een hypothecaire geldlening op basis van annuïteiten van € 275.000.
3.5.
De hypothecaire verplichting bedraagt € 1.031,46 per maand, waarvan een bedrag van € 462,88 aan rente en een bedrag van € 568,58 aan aflossing. De schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening bedroeg € 206.856,12 per 3 oktober 2025.
3.6.
De man heeft de woning medio mei 2025 verlaten. De vrouw is met [minderjarige] in de woning blijven wonen.
3.7.
Tijdens de samenleving zijn de eigenaarslasten verbonden aan de woning door beide partijen gedragen. Vanaf medio mei 2025 heeft de vrouw alle eigenaarslasten betaald.
4.Het geschil
De vorderingen in conventie en in reconventie
4.1.
De man vordert in conventiedat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair
1. bepaalt dat de woning wordt toebedeeld aan de vrouw onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw:
(a) binnen een maand na de datum van het taxatierapport schriftelijk en met bewijsstukken aantoont dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen;
(b) de man doet ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld;
(c) de helft van de overwaarde aan de man betaalt;
2. bepaalt dat, indien de vrouw de woning kan overnemen onder de onder 1 genoemde voorwaarden, de levering van de woning aan de vrouw moet plaatsvinden binnen één maand nadat zij de man schriftelijk heeft bericht dat zij de woning kan overnemen;
3. bepaalt dat de vrouw binnen die termijn gehouden is haar volledige medewerking te verlenen aan alle handelingen en formaliteiten die nodig zijn voor de overdracht van het aandeel van de man in de woning en dat, indien de vrouw deze medewerking niet tijdig verleent, het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte, waarbij het aandeel van de man in de woning aan de vrouw wordt geleverd;
4. bepaalt dat de notariële kosten voor de levering van de woning voor rekening van de vrouw komen;
subsidiair
indien niet aan de voorwaarden onder (a), (b) en (c) wordt voldaan, bepaalt dat de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde, waarbij ieder van partijen recht heeft op de helft van de overwaarde;
bepaalt dat partijen uiterlijk binnen 14 dagen na de schriftelijke mededeling dat overname niet lukt, dan wel binnen 14 dagen nadat de termijn voor levering is verstreken, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan de makelaar die de taxatie heeft verricht;
bepaalt dat de verkoopprijs van de woning gelijk zal zijn aan de taxatiewaarde;
de man vervangende toestemming verleent indien de vrouw haar medewerking niet binnen de bepaalde termijn verleent en bepaalt dat het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BWPro in de plaats zal treden van alle rechtshandelingen die de man in dit verband moet verrichten, waaronder de opdracht tot verkoop aan de makelaar, het tekenen van de koopovereenkomst en het tekenen van de leveringsakte;
de vrouw beveelt haar medewerking te verlenen aan de aflossing van de hypothecaire lening door middel van de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd;
bepaalt dat de kosten van de makelaar en de kosten verbonden aan de verkoop en levering van de woning door ieder van partijen door de helft worden gedragen;
primair en subsidiair
de vrouw veroordeelt schriftelijk binnen een week drie makelaars aan de man te noemen, waarvan de man binnen een week één makelaar uitkiest. Deze makelaar wordt belast met de taxatie en eventueel de verkoop van de woning. Indien de vrouw niet binnen een week drie makelaars voorstelt, is de man gerechtigd zelf een makelaar te kiezen;
bepaalt dat de vrouw haar medewerking moet verlenen aan de taxatie;
de vrouw veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
De man legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij recht heeft op verdeling van de gemeenschap op grond van artikel 3:178 lid 1 BWPro en dat van hem niet langer verlangd kan worden dat hij deelgenoot blijft in een onverdeelde gemeenschap. Indien de vrouw de woning niet kan overnemen, moet de woning worden verkocht. In dat geval moet de vrouw meewerken aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan de makelaar die de woning bindend zal taxeren. De man wil een nieuwe woning kopen in de buurt van zijn werk en in de buurt van [minderjarige] en daarom wil hij over zijn aandeel in de overwaarde kunnen beschikken.
4.3.
De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen in conventie, voert verweer en vordert in reconventie, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de vordering tot verdeling van de woning voor de duur van vijf althans drie jaar uit te sluiten, althans voor een zodanige duur als de rechtbank juist acht;
primair
II. indien de rechtbank de vordering tot verdeling van de woning toewijst, de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de helft van het bedrag van de maandelijkse annuïtaire aflossing van een bedrag van € 284,29 per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025, en tot betaling aan de vrouw van de voorlopige teruggave IB ad € 28 per maand vanaf de maand december 2025, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2025;
subsidiair
III. indien de rechtbank de vordering tot verdeling van de woning afwijst, de man te veroordelen aan de vrouw te betalen:
a. een bedrag van € 515,73 per maand ter zake de helft van de hypothecaire lening vanaf 1 mei 2025, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025;
b. een bedrag van € 15,30 ter zake de helft van de opstalverzekering vanaf 1 mei 2025, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025;
c. een bedrag van € 457,12, ter zake de helft van de aanslag gemeentelijke belastingen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025;
d. de helft van het bedrag van de (nog te ontvangen) aanslag gemeentelijke belastingen over 2026, vermeerderd met de wettelijke rente;
e. een bedrag van € 8,10 per maand ter zake de helft van de premie van de levensverzekering bij Allianz vanaf 1 mei 2025, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025, waarbij deze door de man te betalen bedragen eerst uit de verkoopopbrengst aan de vrouw worden voldaan, waarna de restant onder- dan wel overwaarde door partijen bij helfte wordt gedragen of gedeeld;
IV. te bepalen dat de kosten van de makelaar, alsmede de kosten verbonden aan verkoop en levering van de woning, door partijen ieder voor de helft worden gedragen.
4.4.
De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Zij heeft belang om de verdeling van de woning voor de duur van vijf respectievelijk drie jaar uit te sluiten op grond van artikel 3:178 lid 5 inPro samenhang met lid 3 BW. De vrouw heeft met de man de afspraak gemaakt dat zij met [minderjarige] in de woning mag blijven wonen totdat hij de basisschool heeft afgemaakt en nadien heeft de man ermee ingestemd dat zij daar mag blijven wonen totdat [minderjarige] de (eerste jaren van de) middelbare school heeft afgemaakt.
De vrouw is financieel niet in staat de woning over te nemen en verkoop van de woning aan een derde zal leiden tot acute woononzekerheid. De vrouw komt niet in aanmerking voor een sociale huurwoning en een (driekamer)woning in de vrije huursector of een koopwoning tussen de € 400.000 en € 450.000 is in [wijknaam] lastig te vinden. Het zwaarwegend belang van de vrouw om met [minderjarige] nog enige tijd in de woning te blijven wonen prevaleert boven het belang van de man bij verkoop van de woning aan een derde.
4.5.
De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen in reconventie, voert verweer en hij heeft (naar de rechtbank begrijpt) een voorwaardelijke eisvermeerdering in conventie ingesteld, die ertoe strekt dat hij een gebruikersvergoeding van de vrouw vordert die gelijk is aan zijn aandeel in de gezamenlijke woonlasten indien de rechtbank oordeelt dat hij moet bijdragen aan de woonlasten.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5.De beoordeling
5.1.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zal de rechtbank deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.
5.2.
Partijen hadden een affectieve relatie, maar waren niet gehuwd en waren geen geregistreerd partner. Voor wat betreft de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap zoals bedoeld in artikel 3:166 BWPro. Beide partijen zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning. De hypothecaire lening hebben zij gezamenlijk afgesloten.
5.3.
Tussen partijen is kort gezegd in geschil of de woning moet worden verdeeld. De man vordert primair dat de woning wordt toebedeeld aan de vrouw en als zij de woning niet kan overnemen te bepalen dat de woning aan een derde wordt verkocht. Volgens de vrouw is zij financieel niet in staat om de woning over te nemen. De vrouw vordert de verdeling van de woning voor de komende vijf jaar dan wel drie jaar uit te sluiten op artikel 3:178 lid 3 inPro samenhang met lid 5 BW.
5.4.
Vooropgesteld wordt dat een deelgenoot in een gemeenschap in beginsel niet tegen zijn wil in onverdeeldheid hoeft te blijven. Op grond van artikel 3:178 lid 1 BWPro is het uitgangspunt dat de man recht heeft op verdeling van de woning. Op verlangen van een van partijen kan de rechtbank de verdeling – telkens – uitsluiten voor ten hoogte drie jaren, maar alleen als de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. In artikel 3:178 lid 3 isPro bepaald dat als de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een deelgenoot aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een vordering tot verdeling voor ten hoogste drie jaren kan uitsluiten. In lid 5 is bepaald dat zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen hun bevoegdheid daartoe bij overeenkomst voor ten hoogste vijf jaar kunnen uitsluiten.
Is een overeenkomst stand gekomen?
5.5.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Artikel 6:217 BWPro bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt wanneer de ene partij een aanbod doet en de andere partij dat aanbod aanvaardt. Daarvan is alleen sprake indien tussen partijen over de essentialia van de te sluiten overeenkomst wilsovereenstemming bestaat. Om na te gaan of van wilsovereenstemming sprake is, moet gekeken worden naar de verklaringen en gedragingen die partijen naar elkaar hebben geuit, de betekenis die partijen daaraan mochten toekennen en wat zij in dat verband van elkaar mochten verwachten.
5.6.
De vrouw beroept zich op een afspraak met de man dat de woning nog niet zou worden verdeeld. De man en de vrouw hebben in mei 2025 samen in de woning overleg gehad over de financiële afwikkeling van de samenleving. Daarbij heeft de man in eerste instantie toegezegd dat de vrouw samen met [minderjarige] in de woning zou kunnen blijven wonen totdat hij de basisschool heeft afgemaakt en, en later op verzoek van de vrouw bevestigd dat zij ook in de woning kunnen blijven wonen tot [minderjarige] de (eerste jaren van de) middelbare school heeft afgemaakt. De man is vervolgens de kamer uitgelopen, heeft toen ongeveer een half uur gebeld met een derde, en is daarna op de gemaakte afspraak teruggekomen. Volgens de vrouw is met de man nooit overleg gevoerd over verdeling van de woonlasten.
5.7.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij in mei 2025 met de vrouw heeft gesproken en dat hij heeft toegezegd dat de vrouw samen met [minderjarige] in de woning kan blijven wonen totdat [minderjarige] de basisschool heeft afgemaakt. Hij betwist dat hij akkoord is gegaan met het voorstel van de vrouw dat zij in de woning kan blijven wonen totdat [minderjarige] de middelbare school heeft afgerond. Volgens de man is geen overleg tussen partijen gevoerd over de verdeling van de woonlasten.
5.8.
De rechtbank stelt vast dat partijen in mei 2025 met elkaar hebben gesproken over een oplossing met betrekking tot de verdeling van de woning. Uit hetgeen partijen over en weer tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard kan worden opgemaakt dat de man in beginsel akkoord was dat de vrouw met [minderjarige] in de woning kan blijven wonen totdat [minderjarige] de basisschool heeft afgemaakt. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij het een en ander formeel wilde vastleggen, maar dat de man dat niet wilde. Partijen zijn het erover eens dat niet is gesproken over de financiële consequenties van het gebruik van de woning. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat tussen partijen weliswaar een gesprek is gevoerd over een mogelijke oplossing, maar dat de vrouw er niet gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat reeds definitieve overeenstemming over het uitstellen van de verdeling van de woning was bereikt. Er is dus geen overeenkomst tot stand gekomen.
Verdeling van de woning
5.9.
De rechtbank oordeelt dat het belang van de man om tot verdeling van de woning over te gaan zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om in de woning te mogen blijven wonen en niet tot verdeling van de woning over te gaan. Naast het wettelijk uitgangspunt dat verdeling te allen tijde kan worden gevorderd, heeft de man ook een reëel belang bij verdeling van de woning. Dit belang wordt onder meer gevormd door het feit dat de man een woning wil kopen in de omgeving waar hij werkt en waar [minderjarige] woont, waardoor zijn reisafstand van 200 kilometer per dag om van [plaats 2] naar zijn werk in [plaats 1] te rijden veel korter wordt en de man meer tijd met zijn zoon kan doorbrengen. Ook is de man nog steeds hoofdelijk verbonden voor de hypothecaire schuld en kan hij hiervoor door de bank worden aangesproken en kan hij geen gebruik maken van de overwaarde om een andere woning te kopen. Tegenover het belang van de man staat het belang van de vrouw om tijdelijk in de woning te kunnen blijven wonen met [minderjarige]. Het onverdeeld laten van de woning leidt alleen maar tot verder uitstel. De vrouw is financieel niet in staat de woning over te nemen, en dat is over een paar jaar niet anders. De vrouw stelt dat ze het lastig vindt om voor haar en [minderjarige] andere woonruimte in [wijknaam] te vinden, maar dat is onvoldoende om de verdeling van de woning te kunnen uitstellen. De rechtbank begrijpt dat het lastig is voor de vrouw om in [wijknaam] een huur- of koopwoning te vinden, maar niet gebleken is dat de vrouw in het geheel geen mogelijkheid heeft om elders te gaan wonen. Het belang van de vrouw dat zij in [wijknaam] wil blijven wonen, omdat de vrienden van [minderjarige] in dezelfde buurt wonen en hij kan blijven voetballen bij zijn club, welke club een onderdeel is van zijn sociale netwerk is in de eerste plaats een belang van [minderjarige], en niet van de vrouw. Daar staat tegenover dat het ook in het belang van [minderjarige] is dat de man in staat wordt gesteld om dichter in de buurt van zijn zoon te wonen. De belangen van de vrouw zijn, in het kort gezegd, dus onvoldoende zwaarwegend om voor te gaan op de belangen van de man.
5.10.
Nu de woning niet aan één van partijen zal worden toegedeeld, zal de rechtbank de verdeling van de woning volgens artikel 3:185 BWPro vaststellen en wel zodanig dat de verkoop van de woning wordt gelast als na te melden in de beslissing. Daarbij zal de rechtbank het zogenaamde “spoorboekje” opnemen dat door partijen moet worden gevolgd. Wat betreft de rechtbank ligt hierin besloten dat aan de belangen van beide partijen wordt toegekomen. Enerzijds het belang van de man dat de verkoop van de woning daadwerkelijk zal plaatsvinden en anderzijds het belang van de vrouw dat zij nog enkele maanden in de woning kan blijven en vanuit daar andere woonruimte kan zoeken. Nu de vrouw onweersproken heeft aangevoerd dat [minderjarige], die nu in groep 8 zit, er belang bij heeft dat hij de basisschool in [wijknaam] kan afmaken, zal de rechtbank bepalen dat de woning niet eerder dan 1 september 2026 aan een derde hoeft te worden geleverd.
Aanwijzen makelaar en taxatie van de woning
5.11.
De woning zal op grond van artikel 3:185 lid 2 onderPro c BW moeten worden verkocht en geleverd aan een derde, waarbij iedere partij recht heeft op de helft van de overwaarde. De man heeft gevorderd de vrouw te bevelen mee te werken aan het aanwijzen van een makelaar die de woning zal taxeren, bij gebreke waarvan de man een makelaar zal aanstellen. De vrouw heeft voorgesteld drie makelaars te noemen, waarvan de man één makelaar kiest, bij gebreke waarvan de vrouw de keuze maakt. Deze makelaar zal worden belast met de verkoop van de woning. De man heeft gesteld dat de vrouw moet instemmen met een door de verkoopmakelaar bindend vastgestelde vraagprijs voor de woning. De vrouw heeft daartegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vraagprijs van de woning door de makelaar bindend zal worden vastgesteld.
Eigenaarslasten en gebruiksvergoeding
5.12.
De vrouw vordert betaling van de door haar sinds mei 2025 betaalde eigenaarslasten voor de woning. De man vordert bij voorwaardelijke eisvermeerdering een gebruiksvergoeding die gelijk is aan zijn aandeel in de gezamenlijke eigenaarslasten vanaf mei 2025 tot aan de overdracht van de woning aan een derde. Dat is de periode waarin de vrouw samen met [minderjarige] gebruik van de woning heeft gemaakt.
5.13.
De rechtbank stelt voorop dat partijen op grond van artikel 3:172 BWPro na hun uiteengaan en tot aan de datum van verkoop en levering van de woning aan een derde in beginsel, naar evenredigheid van hun aandeel, ieder voor de helft, moeten bijdragen in de eigenaarslasten van de woning. Voor zover de ene partij bepaalde bedragen volledig heeft voldaan, ontstaat in beginsel een regresvordering op de andere partij.
5.14.
Voorts bepaalt artikel 3:169 BWPro dat iedere deelgenoot bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken. De Hoge Raad heeft bepaald dat dit artikel ook meebrengt dat de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de ander gebruikt, verplicht is de ander schadeloos te stellen voor het feit dat hij geen gebruik kan maken van zijn eigendom, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. [1] Deze vergoeding wordt toegekend als de rechter dat redelijk en billijk vindt.
5.15.
Vaststaat dat de vrouw na het verbreken van de relatie in mei 2025 in de woning is blijven wonen en dat zij sindsdien de eigenaarslasten betaalt. Verder staat vast dat de vrouw nooit een gebruiksvergoeding aan de man heeft betaald. De rechtbank acht het redelijk en billijk om de gebruiksvergoeding die de vrouw aan de man verschuldigd is weg te strepen tegen de bijdrage in de eigenaarslasten van de woning die voor rekening van de man komt. Dit leidt ertoe dat partijen over en weer in dit kader niets meer van elkaar te vorderen hebben. Onder de eigenaarslasten vallen niet de aflossingen op de hypothecaire geldlening. Dit zijn immers geen kosten, maar leiden tot vermogensopbouw. Tussen partijen is niet in geschil dat sinds 1 mei 2025 de vrouw de aflossingen op de hypothecaire geldlening voor haar rekening heeft genomen. De rechtbank zal daarom bepalen dat met de verkoopopbrengst eerst de hypothecaire geldlening moet worden afgelost, vervolgens de door de vrouw verrichte aflossingen aan haar moeten worden vergoed, en het resterende gedeelte van de overwaarde bij helfte moet worden gedeeld.
Proceskosten
5.16.
Gelet op het feit dat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, zullen de proceskosten tussen hen in conventie en in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6.De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
6.1.
stelt de wijze van verdeling van de woning aan het adres [adres] te [plaats 3] als volgt vast:
6.2.
bepaalt dat de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
de vrouw moet binnen één week na dit vonnis drie makelaars aanwijzen, welke makelaars de woning kunnen verkopen en de gegevens van deze makelaars aan de man verstrekken;
de man heeft vervolgens vanaf de dagtekening van het bericht van de vrouw waarin zij deze makelaars aanwijst, een week de tijd om uit deze drie makelaars één makelaar te kiezen;
indien de man niet binnen de hiervoor genoemde termijn van een week na de dagtekening van het bericht van de vrouw een makelaar kiest, is de vrouw gerechtigd een makelaar aan te wijzen;
6.3.
partijen zullen vervolgens gezamenlijk binnen vier weken na de datum van dit vonnis opdracht geven aan de makelaar om de woning te verkopen. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraag- en laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten;
6.4.
partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder (maar niet beperkt tot) het opruimen van de woning voor het maken van foto’s en het laten bezichtigen van de woning door potentiële kopers;
6.5.
partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit gelijk aan of hoger is dan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd en zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De woning zal niet eerder dan 1 september 2026 aan derden worden geleverd;
6.6.
partijen betalen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering van de woning;
6.7.
partijen zullen de hypothecaire geldlening aflossen uit de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd. De vrouw ontvangt uit de overwaarde alle sinds 1 mei 2025 door haar verrichte aflossingen op de hypothecaire geldlening. Ieder van partijen ontvangt de helft van de resterende overwaarde. Als sprake is van een tekort (een onderwaarde) moeten partijen ieder de helft van dit tekort betalen;
6.8.
wanneer één van partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijnen zijn of haar medewerking verleent aan de verkoop en levering van de woning aan een derde, treedt dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BWPro in de plaats van het deel van de opdracht aan de makelaar, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit blijkt dat de man of vrouw opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt dan wel (mede) levert aan de koper;
6.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.10.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.