Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15533

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
NL25.49199
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 66a Vw 2000Art. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivering

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 3 januari 2024 een asielaanvraag in die door de minister op 6 oktober 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister betwijfelde de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid en de problemen die daaruit voortvloeiden, evenals de problemen met zijn familie.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers psychische gesteldheid, waaronder PTSS en een traumatische eerste seksuele ervaring die mogelijk seksueel misbruik betrof. Ook is onvoldoende onderzoek gedaan naar een litteken in zijn nek dat als steunbewijs kan dienen. Daarnaast zijn de tegenwerpingen van de minister over wisselende verklaringen, kennis over de lhbti-gemeenschap en het niet tijdig indienen van de aanvraag onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.49199
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1996, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. F.M. Holwerda),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 3 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening (geregistreerd onder zaaknummer NL26.3550).
2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, M. Mardo als tolk in de Engelse taal, en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
2.1.
Ter zitting is de behandeling van het beroep aangehouden, omdat de aangevoerde beroepsgronden te omvattend en complex bleken om deze binnen de daarvoor ingeruimde zittingstijd te behandelen.
3. Op 30 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank eisers verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en de minister daarbij veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. [2]
4. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 30 april 2026. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, M. Mardo als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
5. Eiser heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Op 11 mei 2015 heeft eiser Nigeria verlaten om twee redenen. Allereerst is eiser na het overlijden van zijn vader bedreigd door zijn ooms vanwege de erfenis van zijn vader. Daarnaast is eiser betrapt terwijl hij seks had met zijn baas waardoor de politie naar hem op zoek is. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser voor zijn oom. Ook vreest hij opgepakt te worden door de politie vanwege zijn seksuele gerichtheid.
5.1.
Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser zijn medisch dossier en een verwijsbrief van Kleur GGZ overgelegd.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
gestelde seksuele gerichtheid en de problemen vanwege deze gerichtheid; en
problemen met de ooms vanwege de erfenis van zijn vader.
6.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Zowel de gestelde seksuele gerichtheid en de problemen vanwege deze gerichtheid alsook de problemen met de ooms vanwege de erfenis van zijn vader vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende met documenten onderbouwd. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel [3] omdat zijn verklaringen over deze twee asielmotieven volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [4] Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft daar geen goede verklaring voor. [5] Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft [6] of een reëel risico op ernstige schade loopt [7] bij terugkeer naar Nigeria. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt [8] en hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was [9] . De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. [10]
Wat vindt eiser in beroep?
7. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Ten onrechte vindt de minister de seksuele gerichtheid en de daardoor ondervonden problemen ongeloofwaardig. Allereerst heeft de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Eisers psychische gesteldheid heeft zijn capaciteit om te verklaren beïnvloed. Bovendien blijkt onvoldoende hoe de minister eisers psychische gesteldheid bij de beoordeling heeft betrokken. Daarnaast had de minister nader onderzoek moeten doen naar het litteken in eisers nek. Ten aanzien van de verklaringen voert eiser aan dat hij niet wisselend heeft verklaard over het aantal mensen dat hem aanviel. Daarnaast heeft hij wel uitgelegd hoe hij is omgegaan met de visie van de kerk op zijn seksuele identiteit. Verder heeft eiser kennis over de lhbti-gemeenschap in Nederland en van de lhbti-situatie in Nigeria. Ten onrechte verlangt de minister van eiser dat hij na tien jaar nog stukken kan overleggen waaruit volgt dat de politie hem zoekt.
7.1.
De minister heeft de aanvraag niet mogen afwijzen als kennelijk ongegrond, omdat eiser zich niet te kwader trouw heeft ontdaan van zijn identiteitskaart en paspoort en hij een verschoonbare reden heeft voor het niet zo spoedig mogelijk indienen van zijn asielaanvraag.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Gelet op de hierna geconstateerde gebreken heeft de minister ten onrechte de conclusie getrokken dat eisers seksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
Eerste beroepsgrond – referentiekader en eisers psychische gesteldheid
9. Allereerst overweegt de rechtbank dat eiser op de zitting van 28 januari 2026 heeft toegelicht dat de minister niet alleen bij de beoordeling, maar ook tijdens het nader gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers psychische gesteldheid. De rechtbank behandelt deze twee punten samen.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister tijdens het gehoor en bij de beoordeling van het asielrelaas onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder zijn psychische gesteldheid en de aard van zijn eerste seksuele ervaring.
10.1.
Niet in geschil is dat eiser lijdt aan stemmingsstoornissen en gediagnosticeerd is met PTSS, waarvoor hij onder behandeling staat. Dit volgt uit de medische stukken die eiser ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft overgelegd en dit wordt ook door de minister erkend.
10.2.
Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat zijn eerste seksuele ervaring met de directeur van zijn school was toen hij ongeveer 14 jaar oud was, met andere woorden dat de eerste keer dat hij in aanraking kwam met zijn homoseksualiteit een vorm van seksueel misbruik betreft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hier tijdens het nader gehoor en in de besluitvorming onvoldoende rekening mee gehouden, zodat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. In de zeer specifieke situatie van eiser, een persoon met erkende psychische problematiek die verklaart dat zijn eerste seksuele ervaring een misbruikervaring was, doet de tegenwerping dat zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid onvoldoende diepgang hebben en dat hij onvoldoende heeft kunnen verklaren hoe hij achter zijn gevoelens is gekomen, onvoldoende recht aan zijn persoonlijke situatie. De minister heeft in dat kader niet gemotiveerd hoe rekening is gehouden met de omstandigheid dat eiser mogelijk op jonge leeftijd slachtoffer is geworden van seksueel misbruik. Daar komt bij dat de minister eiser heeft tegengeworpen dat hij in het nader gehoor heeft verklaard dat hij zijn eerste seksuele ervaring destijds als “normaal” ervoer. Juist bij iemand met gediagnosticeerde psychische problematiek en een traumatische achtergrond is extra zorgvuldigheid geboden als iemand een dergelijke niet bij de beschreven situatie passende uitlating doet. Dit geldt temeer wanneer, zoals in dit geval, eiser tijdens het nader gehoor op momenten getuigde van een staat van verhoogde agitatie. De minister miskent met het standpunt over de tekortschietende diepgang en authenticiteit van zijn verklaringen op dit punt bovendien het risico van secundaire victimisatie dat met dat standpunt gepaard gaat. Bij een vreemdeling met psychische problematiek van deze aard had de minister terughoudendheid moeten betrachten bij het voortzetten van het gehoor en bij de conclusies die daaraan worden verbonden.
Tweede beroepsgrond – verklaringen over aantal mensen dat eiser aanviel
11. De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over het aantal mensen dat hem aanviel. Tijdens het nader gehoor heeft eiser eerst verklaard dat hij door mensen werd aangevallen nadat hij door een meisje met zijn baas werd betrapt. Later verklaart hij dat er op een gegeven moment tien tot vijftien mensen aanwezig waren. [11] Als de hoormedewerker eiser vervolgens vraagt nader uit te leggen hoe het eiser gelukt is om daar weg te komen, verklaart eiser dat aanvankelijk vier tot zes mensen hem aanvielen voordat het er later twintig werden. [12] De rechtbank stelt vast dat eisers verklaringen over het aantal mensen dat hem heeft aangevallen niet wisselend is. Eiser heeft immers consistent verklaard dat hij eerst door een beperkt aantal mensen werd aangevallen en dat het er later meer werden. Daarbij komt dat de minister op de zitting van 28 januari 2026 heeft gesteld dat het niet van belang is of eiser uiteindelijk door vijftien of door twintig personen werd aangevallen.
Derde beroepsgrond – nader onderzoek naar het litteken in eisers nek
12. Voor zover eiser aanvoert dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar het litteken in eisers nek, is de rechtbank met eiser eens dat het letsel belangrijk steunbewijs kan vormen ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat de hoormedewerker het letsel duidelijk heeft waargenomen en heeft geconstateerd dat het litteken lijkt te zijn veroorzaakt door een groot mes of een machete. [13] Dat de minister ter zitting heeft gesteld dat een hoormedewerker een dergelijke conclusie niet kan trekken, laat onverlet dat het letsel een belangrijk steunbewijs kan vormen voor eisers verklaringen. Volgens het dossier bestonden die aanknopingspunten er volgens de minister kennelijk ook, aangezien het bestaan en de herkomst van het litteken door de hoormedewerker tijdens het nader gehoor zijn bevestigd. Daarbij komt dat de minister het litteken betrekt bij de tegenwerping dat eiser wisselend zou hebben verklaard over het aantal mensen dat hem heeft aangevallen na de betrapping met zijn baas. Zoals hierboven in rechtsoverweging 11. is geconstateerd kan deze tegenwerping geen stand houden, zodat er naar het oordeel van de rechtbank meer aanleiding bestond voor de minister om nader onderzoek te doen naar het litteken in eisers nek. De rechtbank constateert dan ook dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
Vierde beroepsgrond – verklaringen over de relatie tussen eisers geloof en seksualiteit
13. Eiser voert aan dat hij voldoende heeft toegelicht hoe hij is omgegaan met de visie van de kerk op zijn seksuele identiteit. De rechtbank overweegt als volgt. In het nader gehoor heeft eiser over de relatie tussen zijn geloof en seksuele gerichtheid het volgende verklaard:
“Hoe was het voor u, dat dit in de kerk werd verteld en u later bij uzelf merkte deze gevoelens voor mannen had?
De kerk heeft geen macht over geesten. Daar is ook geen energie. Er wordt daar ook niet bepaald wat zou moeten gebeuren. Het zijn alleen maar woorden die ze vertellen. Je gaat naar de kerk en daar kom je de meest criminele mensen tegen, je komt er prostituees tegen. Ze zeggen alleen maar dingen om andere mensen zorgen te geven, daar luister ik niet naar. Ik zoek vrede en positieve energie en dingen die mij doen relaxen.
Hoe voelde het voor u? Wat deed het met uw gevoel? U ging in uw jeugd naar de kerk en hoorde dit. Vervolgens had u op vrij jonge leeftijd een ervaring met een man. Hoe voelde het voor u dat u eerder dat in de kerk had gehoord en toen die ervaring had. Deed dat iets met uw gevoelens of emoties?
Ik heb niks gevoeld.” [14]
“U vertelde vanmorgen ook dat u nu naar een nieuwe kerk gaat, en dat u deze kerk ook bezoekt. Net zegt u net fuck de kerk (wat ze ervan denken). Hoe verhoudt het naar de kerk gaan zich tot uw gerichtheid?
Ik ben Christen. De kerk geeft geen betekenis voor mij persoonlijk. Andere gaan naar de kerk om te gaan bidden. Ik bid ook in mijn kamer. Wat ik met god bespreek is persoonlijk. Ik heb de kerk daar niet voor nodig. Dat sommige naar de kerk toegaan om te bidden, dat is oké. Ik zeg fuck de kerk om dat ik denk dat de kerk niet nodig is voor mijn geloof.
U zegt net ik ben christen. U vertelde ook dat u weet hoe er in het christendom tegen homoseksualiteit wordt aangekeken. Hoe is het voor u dat u in het christendom gelooft maar u ook de wetenschap hebt dat het christendom niet per se positief tegen een homoseksuele gerichtheid aankijkt?
Dat is een goede vraag. Ik ben zoals ik eerder aangaf christen en ik ga af en toe wel naar de kerk. Ik ben lang geleden ook gedoopt. Maar naar de kerk gaan en mijn persoonlijke leven dat zijn 2 verschillende dingen. Het feit dat ik christen ben, dat ik in god geloof, dat ik naar de kerk ga, wilt niet zeggen dat ik niet mij zelf moet zijn als homoseksueel.” [15]
Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers verklaringen over hoe zijn geloof en zijn seksuele gerichtheid met elkaar verenigbaar zijn, logisch navolgbaar. Eiser verklaart immers dat het naar de kerk gaan en zijn persoonlijke leven twee verschillende dingen zijn. Dat eiser christen is en in god gelooft, betekent voor hem niet dat hij daardoor niet homoseksueel kan zijn. Dat zegt hij in de praktijk te hebben beleefd omdat hij in de kerk mensen zag waarvan hij wist dat ze crimineel of prostituee waren. Bovendien lijkt uit het verslag van het nader gehoor naar voren te komen dat het voor de hoormedewerker duidelijk was welk punt eiser wilde maken. Zo staat opgenomen dat de hoormedewerker niet bedoelde dat hij het verkeerd vindt of dat de twee niet naast elkaar kunnen bestaan. [16] De rechtbank kan deze opmerking niet anders lezen dan dat de hoormedewerker heeft begrepen wat eiser wilde uitleggen. De tegenwerping dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn homoseksualiteit in relatie tot de kerk kan zonder nadere motivering dan ook geen stand houden.
Vijfde beroepsgrond – kennis over de lhbti-gemeenschap in Nederland
14. De minister vindt dat eiser onvoldoende kennis heeft over de lhbti-gemeenschap in Nederland. Dit weegt volgens de minister zwaarder omdat eiser in 2019 ook al twee maanden in Nederland heeft verbleven. Ook werpt de minister eiser tegen dat hij pas zeven of acht maanden na zijn aankomst in Nederland aan activiteiten van lhbti-organisaties heeft deelgenomen en summier heeft verklaard over waarom deelname voor hem belangrijk was. Deze tegenwerpingen zijn volgens eiser onvoldoende gemotiveerd.
14.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat eiser pas enige tijd na zijn aankomst in Nederland heeft deelgenomen aan lhbti-organisaties. Allereerst overweegt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat hij, toen hij in 2019 in Eindhoven aankwam, op de vlucht was voor mensen in Italië waarmee hij problemen had. Na twee maanden in Eindhoven te hebben verbleven, is hij weer teruggegaan naar Italië om die problemen op te lossen. [17] Deze verklaring voor het niet verdiepen in de wet- en regelgeving omtrent de lhbti-gemeenschap tijdens zijn verblijf in 2019 vindt de rechtbank in de context van zijn gestelde problemen navolgbaar. Daarnaast heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met eisers psychische gesteldheid. Zo heeft eiser verklaard dat hij veel stress ervaart, moe is van het leven en geen blijdschap voelt. [18] Ook verklaart eiser dat hij voor een periode depressief is geweest en geen contact met mensen wilde. [19] Dit wordt ook bevestigd door het medisch dossier en de medische stukken van Kleur GGZ die door eiser zijn overgelegd. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd hoe deze omstandigheden betrokken zijn bij de beoordeling.
14.2.
Ten aanzien van de tegenwerping dat eiser summier heeft verklaard over waarom hij het belangrijk vindt om deel te nemen aan activiteiten van lhbti-organisaties, is de rechtbank van oordeel dat ook deze tegenwerping onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verklaart dat hij binnen de organisatie [naam] opleider is. [20] Ook heeft hij verklaard dat hij zich meer ontspannen voelt doordat hij nu andere mensen kan helpen met hun gerichtheid. [21] Hem is gevraagd hoe het voor hem is dat hij nu vrijelijk naar de bijeenkomsten van lhbti-organisaties kan gaan, waarop hij heeft geantwoord dat hij het verfrissend en cool vindt dat hij elke dag nieuwe dingen leert. Ook geeft hij aan dat hij het belangrijk vindt dat de organisaties waar hij bij betrokken is, steun bieden aan homoseksuelen. [22] Naar het oordeel van de rechtbank blijkt onvoldoende waarom bovengenoemde verklaringen voor de minister onvoldoende blijk geven van eisers reden voor en betekenis van zijn deelname aan activiteiten. Het standpunt van de minister dat niet wordt ingezien dat deelname aan de activiteiten van de lhbti-organisaties een zodanige betekenis voor eiser heeft, kan zonder nadere motivering geen stand houden.
Zesde beroepsgrond – kennis over de lhbti-situatie in Nigeria
15. De minister heeft eiser ook tegengeworpen dat van hem verwacht mocht worden dat hij nader onderzoek naar de lhbti-situatie in Nigeria had verricht omdat uit eisers achtergrond niet blijkt dat dat voor hem niet mogelijk was. De minister wijst in dat kader op de omstandigheden dat eiser zijn middelbare school heeft afgerond en op 13, 14 of 15-jarige leeftijd achter zijn homoseksuele gevoelens is gekomen.
15.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom van eiser verwacht mocht worden dat hij nader onderzoek had verricht naar de lbhti-situatie in Nigeria. Zo heeft de minister niet onderbouwd waarom dit van iemand die de middelbare school heeft afgerond mag worden verwacht. Gelet op wat in rechtsoverwegingen 9.-10.2. is overwogen, heeft de minister bovendien onvoldoende gemotiveerd hoe de omstandigheid dat eisers eerste seksuele ervaring een situatie van seksueel misbruik kan zijn geweest, in het kader van deze tegenwerping is betrokken. De minister heeft niet gemotiveerd waarom, afgezet tegen deze achtergrond, van eiser verwacht mocht worden nader onderzoek te doen naar de lhbti-situatie in Nigeria.
Zevende beroepsgrond – overleggen van de dagvaarding
16. Voor zover de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat van eiser verwacht mocht worden dat hij de dagvaarding die de politie bij zijn moeder heeft achtergelaten had overgelegd, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit eisers verklaringen niet volgt dat hij een dagvaarding heeft ontvangen. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat de politie volgens zijn moeder iets heeft achtergelaten en dat eiser ook denkt dat de politie iets heeft afgegeven, maar dat het lang geleden is. [23] Eiser heeft op de zitting van 30 april 2026 verduidelijkt dat er geen documenten zijn achtergelaten bij zijn moeder. Dit heeft de minister niet betwist. Onder die omstandigheden kan de tegenwerping dat van eiser nadere inspanningen verwacht mochten worden om aan de dagvaarding te komen geen stand houden.
Achtste beroepsgrond – kennelijk ongegrond en ontdaan van identiteits- of reisdocument
17. Voor zover eiser aanvoert dat de minister niet heeft mogen tegenwerpen dat eiser zich te kwader trouw heeft ontdaan van zijn identiteitskaart en paspoort, slaagt deze beroepsgrond niet. Dat eisers identiteit geloofwaardig is geacht nadat eiser een kopie van zijn paspoort heeft overgelegd, maakt niet dat de minister in het kader van de afwijzing als kennelijk ongegrond niet heeft mogen tegenwerpen dat eiser zich heeft ontdaan van identiteitsdocumenten. Eiser heeft slechts een kopie van zijn paspoort overgelegd. De originele identiteits- of reisdocumenten heeft hij achtergelaten in zijn woning in Italië omdat deze bijna waren verlopen. [24] De minister heeft deze reden als onvoldoende mogen beschouwen. Daarbij komt dat uit paspoorten meer informatie blijkt dan alleen iemands identiteit. Zo biedt een paspoort inzicht in het contact met de autoriteiten, iemands reisgedrag en eventuele verblijfsrechten in derde landen.
Negende beroepsgrond – kennelijk ongegrond en niet zo spoedig mogelijk indienen van de aanvraag
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Anders dan de minister stelt, acht de rechtbank het voor de huidige asielaanvraag niet relevant dat eiser in 2019 voor een periode van twee maanden in Nederland was en toen geen asiel heeft aangevraagd. Dat eiser vijf jaar eerder in Nederland was en toen het idee had om asiel aan te vragen, is naar het oordeel van de rechtbank te ver verwijderd in feiten en in tijd om nog mee te laten wegen en tegen te werpen in het kader van de nieuwe procedure. Echter heeft de minister wel mogen tegenwerpen dat eiser zijn asielaanvraag in 2023 niet binnen 48 uur heeft ingediend. [25] Eiser is op 23 december 2023 Nederland ingereisd en heeft op 27 december 2023 asiel aangevraagd. Dat hij geen geld had om naar Ter Apel te reizen heeft de minister gelet op het gestelde belang bij internationale bescherming niet als verschoonbare omstandigheid hoeven aanmerken voor het feit dat eiser vier dagen heeft gewacht met het indienen van zijn aanvraag.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond omdat de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid [26] en niet deugdelijk heeft gemotiveerd [27] . De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag en daarbij rekening dient te houden met deze uitspraak. [28] De rechtbank stelt deze wat langer dan gebruikelijke termijn voor het nieuw te nemen besluit met het oog op de specifieke omstandigheden van deze zaak, meer in het bijzonder eiser zijn psychische gesteldheid en het feit dat mogelijk aanvullende waarborgen nodig zullen zijn om eiser opnieuw te horen.
20. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, zal de rechtbank de minister veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. [29]

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.49199:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 6 oktober 2025;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en h, van de Vw 2000.
2.NL26.3550.
3.Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.
4.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
5.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
6.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
7.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
8.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
9.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
10.Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
11.Verslag van het nader gehoor van 26 september 2025, p. 15.
12.Idem, p. 16.
13.Idem, p. 14.
14.Verslag van het nader gehoor, p. 23.
15.Verslag van het nader gehoor, p. 24.
16.Idem, p. 24.
17.Idem, p. 26-27
18.Idem, p. 28.
19.Idem, p. 28.
20.Verslag van het nader gehoor, p. 27.
21.Idem, p. 28.
22.Idem, p. 28-29.
23.Idem, p. 29.
24.Idem, p. 9.
25.Paragraaf C1/4.3.2.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
26.Artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
27.Artikel 3:46 van Pro de Awb.
28.De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
29.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.