Art. 8 EVRMArt. 4 lid 2 GezinsherenigingsrichtlijnArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid tussen meerderjarige broers
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende meerderjarige, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij zijn halfbroer, referent, eveneens Egyptisch. De aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat eiser niet beschikte over een passende machtiging tot voorlopig verblijf en er geen sprake was van beschermenswaardig familie- of gezinsleven conform artikel 8 EVRMPro.
De rechtbank oordeelt dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiser en referent die het gangbare emotionele familiebanden overstijgen. Hoewel samenwoning sinds april 2023 feitelijk vaststaat, is dit onvoldoende. Medische afhankelijkheid van referent van eiser is niet aangetoond, noch is er sprake van financiële afhankelijkheid. Verweerder heeft alle relevante omstandigheden in samenhang beoordeeld.
Eiser voerde aan dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is, maar de rechtbank stelt vast dat deze richtlijn niet verplicht tot verblijf voor meerderjarige broers. Ook is het afzien van een hoorzitting in bezwaar terecht, omdat geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning wegens ontbreken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen meerderjarige broers.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.306 (beroep) en NL24.16502 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser en verzoeker
(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1966 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiser is op 5 april 2023 Nederland ingereisd met een visum. Sindsdien verblijft hij in Nederland bij referent: [referent]. Referent is geboren op [geboortedag 2] 1963 en heeft ook de Egyptische nationaliteit. Hij is de halfbroer van eiser.
2.2.
Eiser heeft op 14 december 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’.
2.3.
Met het primaire besluit van 19 maart 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor hij een vergunning heeft aangevraagd. Eiser komt ook niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 vanPro het EVRM [1] . Volgens verweerder is namelijk geen sprake van beschermenswaardig familieleven tussen referent en zijn broer en is niet gebleken dat sprake is van privéleven in Nederland. Verweerder heeft met dit besluit aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd.
2.4.
Met het bestreden besluit van 6 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich wederom op het standpunt gesteld dat geen sprake is van familieleven en privéleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM. Verder is er volgens verweerder geen onredelijke hardheid en zijn er geen bijzondere omstandigheden waardoor de aanvraag toch zou moeten worden ingewilligd.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, B. Ghaly als tolk in de Egyptische taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht heeft afgewezen.
Toetsingskader
4. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM sprake moet zijn van emotionele banden die het gangbare overstijgen (‘more than the normal emotional ties’). [2] Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het Hof of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid (‘additional elements of dependancy’). [3] Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [4] Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
5. Eiser voert aan dat de beoordeling van verweerder in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van referent door zijn medische klachten. Eiser voert daartoe het volgende aan.
Samenwoning
5.1.
Eiser voert aan dat hij en referent sinds de komst van eiser in Nederland hebben samengewoond. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser een BRP [5] -uittreksel overgelegd.
5.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser het BRP-uittreksel in beroep pas heeft overgelegd. Verweerder heeft dit daarom niet kunnen betrekken bij de beoordeling in het bestreden besluit. Verweerder heeft in het verweerschrift echter wel gereageerd op het BRP-uittreksel en zich op het standpunt gesteld dat kan worden uitgegaan van de juistheid van dit uittreksel en daarmee van feitelijke samenwoning sinds april 2023. Volgens verweerder leidt dit echter niet tot een ander oordeel, omdat samenwoning op zichzelf onvoldoende is om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt.
Medische afhankelijkheid
6.1.
Eiser voert aan dat referent niet in staat is om zelfstandig te functioneren zonder de hulp van eiser. Referent heeft 24-uurszorg nodig en bij de thuiszorg in Nederland is het niet mogelijk om deze zorg te krijgen. Eiser is de enige die voor referent kan zorgen. Eiser heeft in beroep nadere stukken overgelegd ter onderbouwing van de medische situatie van referent. Eiser heeft op de zitting verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte alleen heeft gekeken naar de vraag of referent exclusief afhankelijk is van eiser. Eiser heeft een beroep gedaan op een uitspraak van deze rechtbank van 2 november 2022 [6] , waaruit volgt dat verweerder niet alleen naar exclusiviteit moet kijken, maar ook naar andere factoren.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat referent medische klachten heeft. In het verweerschrift en op de zitting heeft verweerder bevestigd dat verweerder niet betwist dat referent verschillende medische beperkingen heeft. De rechtbank ziet ook dat verweerder de medische klachten van referent kenbaar in de besluitvorming heeft betrokken. Het gaat in deze zaak specifiek om de vraag of eiser heeft aangetoond dat referent voor zijn medische klachten afhankelijk is van de hulp van eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser dit niet heeft aangetoond.
6.3.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat referent medisch afhankelijk is van eiser. Uit de overgelegde medische stukken blijkt niet dat referent voor de zorg voor zijn medische klachten specifiek op eiser is aangewezen. Uit de overgelegde stukken blijkt ook niet dat referent 24-uurszorg nodig heeft. Verweerder heeft verder terecht meegenomen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij geen beroep kan doen op de professionele zorg in Nederland.
6.4.
De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte alleen heeft gekeken naar de vraag of referent exclusief afhankelijk is van eiser. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [7] volgt dat verweerder het ontbreken van exclusieve afhankelijkheid bij haar beoordeling mag betrekken, maar daar geen doorslaggevend gewicht aan mag toekennen. Naar het oordeel van de rechtbank is hier niet van gebleken. Verweerder heeft deze omstandigheid slechts als één van de relevante factoren in haar afweging betrokken en heeft daar geen doorslaggevend gewicht aan toegekend. Verweerder heeft verder alle relevante omstandigheden meegenomen en in samenhang beoordeeld of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Financiële afhankelijkheid
7.1.
Eiser voert aan dat sprake is van financiële afhankelijkheid. Eiser is, nu hij in Nederland is, financieel afhankelijk van referent, omdat hij hier niet mag werken. Toen eiser in Egypte was, was referent nog financieel afhankelijk van hem.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser ten aanzien van de gestelde financiële afhankelijkheid geen bewijsstukken heeft overgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht van is uitgegaan dat geen sprake is van financiële afhankelijkheid. De enkele verklaring dat daar sprake van is, is daartoe namelijk onvoldoende.
Tussenconclusie
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle factoren voldoende in samenhang betrokken en is verweerder op grond daarvan terecht tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Beroep op Gezinsherenigingsrichtlijn
9.1.
Eiser doet een beroep op artikel 4, tweede lid, aanhef onder a van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Volgens eiser wordt door de afwijzing het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn teniet gedaan.
9.2.
De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a van de Gezinsherenigingsrichtlijn ziet op eerstegraads bloedverwanten in rechtstreeks opgaande lijn van de referent of diens echtgenoot. Dit artikel heeft geen betrekking op meerderjarige broers. Uit de bewoordingen van de bepalingen volgt verder dat lidstaten de toegang en het verblijf van deze familieleden wel kunnen toestaan, zodat sprake is van een facultatieve bevoegdheid en niet van een verplichting. Verweerder heeft daarom terecht de aanvraag beoordeeld aan de hand van artikel 8 vanPro het EVRM.
Schending hoorplicht
10.1.
Eiser voert aan dat verweerder in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden. Volgens eiser zijn bij de aanvraagfase en in bezwaar medische stukken overgelegd waaruit volgt dat referent medische klachten heeft. Tijdens een hoorzitting had verweerder kunnen doorvragen over de afhankelijkheid tussen eiser en referent.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen afzien van het houden van een hoorzitting. Uit vaste rechtspraak volgt dat het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling in bezwaar hoort. [8] Verweerder heeft alleen de mogelijkheid om van het horen in bezwaar af te zien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [9] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat daar sprake van is. Het gaat in deze zaak namelijk in de kern om de vraag of eiser heeft aangetoond dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en referent. Eiser heeft in bezwaar wel het één en ander aangevoerd, maar heeft geen stukken ingediend ter onderbouwing van de bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en referent. De stukken ter onderbouwing van de medische klachten van referent kunnen niet worden gezien als een onderbouwing daarvan, omdat de medische situatie van referent niet in geschil is.
Conclusie en gevolgen
11.1.
Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
11.2.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep, is er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.306:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.16502:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof van 12 januari 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606 (Khan t. het Verenigd Koninkrijk), onder 32.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
4.Zie onder meer het arrest van het Hof van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
5.Basisregistratie Personen.
6.Geregistreerd onder zaaknummers NL22.2442 en NL22.6424.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, onder 3.2.
8.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
9.Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.