Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, werd op 26 mei 2026 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat hij onterecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw was opgehouden, terwijl volgens hem artikel 50, derde lid, van toepassing had moeten zijn, omdat zijn identiteit en verblijfsrechtelijke positie al vaststonden.
De rechtbank oordeelde dat de ophouding terecht was op grond van artikel 50, tweede lid, omdat eiser was opgehouden aansluitend op een strafrechtelijke heenzending en geen officiële identiteitsdocumenten had overgelegd. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd gesteld dat gegevens over identiteit verkregen in strafrechtelijke context niet automatisch als vaststaand hoeven te worden aangenomen in vreemdelingenrechtelijke procedures.
Verder stelde eiser dat de ondertekenaar van de maatregel niet bevoegd was, maar de rechtbank stelde vast dat de maatregel was ondertekend door een daartoe aangewezen inspecteur van politie, conform het Voorschrift Vreemdelingen 2000. De rechtbank vond de gronden voor de maatregel, waaronder het risico op ontduiking van toezicht en de Dublinoverdracht, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.