Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15571

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31316
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublinverordening

Verzoekster, een Eritrese asielzoekster, diende een verzoek in tot voorlopige voorziening om haar overdracht naar Zwitserland te voorkomen, omdat zij aanwezig wilde zijn bij de behandeling van haar verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar asielaanvraag. De overdracht was gepland op 9 juni 2026, maar werd op 4 juni 2026 geannuleerd door verweerder.

De voorzieningenrechter overwoog dat op het moment van de beslissing geen sprake meer was van een spoedeisend belang, aangezien de overdracht niet langer gepland stond. Verweerder voerde aan dat het verzet geen redelijke kans van slagen had en dat alle relevante medische informatie reeds was meegewogen. Verzoekster stelde dat de overdracht zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro, maar dit werd niet voldoende onderbouwd.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen en wees het verzoek af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om overdracht naar Zwitserland te voorkomen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31316

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoeksterV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het beroep van verzoekster hiertegen met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft bij brief van 2 juni 2026 tegen deze uitspraak verzet gedaan. Zij heeft verder op diezelfde datum de voorzieningenrechter in de verzetprocedure verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij de behandeling van het verzet in Nederland mag afwachten.
Verweerder heeft desgevraagd op 5 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft [1] en het onderzoek op 5 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook tijdens een verzetsprocedure als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb kan een voorlopige voorziening worden gevraagd. [2]
2. Verzoekster stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1992 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Bij kennisgeving van 2 juni 2026 is door verweerder aan verzoekster meegedeeld dat haar overdracht naar Zwitserland gepland staat op 9 juni 2026 om 12:15 uur in het kader van de Dublinverordening. [3] Verzoekster heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen om haar overdracht te voorkomen, omdat zij aanwezig wil zijn bij de behandeling van haar verzetschrift op zitting. Een overdracht aan Zwitserland zou volgens verzoekster tevens leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM, [4] dan wel artikel 4 van Pro het Handvest. [5] Het belang van verzoekster bij een toewijzing van de verzochte voorziening dient volgens verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.
3. Verweerder stelt zich in het verweerschrift primair op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat de overdracht van verzoekster op 4 juni is geannuleerd nadat zij met onbekende bestemming is vertrokken. Subsidiair meent verweerder dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. Hetgeen verzoekster in het verzetschrift heeft aangevoerd is een herhaling van zetten die niet tot de conclusie kan leiden dat verzoekster ter zitting gehoord had dienen te worden. Daarbij heeft verzoekster in beroep nagelaten haar medische dossier te overleggen en heeft verweerder destijds alle kenbare medische informatie meegewogen in de besluitvorming. In de bestreden uitspraak van 13 mei 2026 is volgens verweerder voldoende gemotiveerd ingegaan op de standpunten van verzoekster ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4. De voorzieningenrechter stelt op basis van het verweerschrift vast dat op dit moment niet langer sprake is van een geplande overdracht voor verzoekster aan Zwitserland. De aangekondigde vlucht van 9 juni 2026 is door verweerder geannuleerd op 4 juni 2026. Om die reden is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat op dit moment dan ook geen sprake is van een spoedeisend belang, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 december 2004,
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.